Chronische-vermoeidheidssyndroom

Samenvatting

Met het chronische-vermoeidheidssyndroom (CVS) wordt een ziektebeeld aangeduid waarbij langer bestaande, ernstige moeheid op de voorgrond staat waarvoor geen aanwijsbare somatische of psychiatrische oorzaak is vastgesteld. De diagnose CVS kan pas gesteld worden als de vermoeidheidsklachten ten minste 6 maanden bestaan. De anamnese is het belangrijkste instrument om vast te stellen wat de mogelijkheden bij CVS zijn, omdat noch lichamelijk onderzoek noch laboratoriumonderzoek doorgaans afwijkingen vertoont. De behandeling bestaat uit cognitieve gedragstherapie, graded activity en farmacologische therapie. Bij 20-40% van de patiënten wordt verbetering gesignaleerd. Slechts minder dan 10% van de patiënten herstelt spontaan zover dat ze weer functioneren als daarvoor. De kans op spontaan herstel na 2 jaar is zeer gering. Een stapsgewijze aanpak en zo nodig aanpassingen in het werk zijn van belang bij de re-integratie naar werk.

Algemeen 1

  • CAS-codes: N690 – vermoeidheidssyndroom na virusinfectie, benigne myalgische encephalomyelitits; A102: algemene malaise en vermoeidheid.

  • ICD-10-code: G93.3 – postviral fatigue syndrome (benign myalgic encephalomyelitis).

  • Afbakening te opzichte van andere aandoeningen: neurasthenie, somatisatiestoornis, fibromyalgie: bij chronische-vermoeidheidssyndroom (CVS) staat de vermoeidheid op de voorgrond bij fibromyalgie de pijn.

Synoniemen

Myalgische encephalitits, chronic fatique syndrom.

1. Diagnose en behandeling

1.1. Definitie 1,2

Met het chronische-vermoeidheidssyndroom (CVS) wordt een ziektebeeld aangeduid waarbij langer bestaande, ernstige moeheid op de voorgrond staat, waarvoor geen aanwijsbare somatische of psychiatrische oorzaak is vastgesteld.

De moeheidklachten duren langer dan 6 maanden, leidend tot het dalen van het prestatievermogen, niet verbeterend door rusten, gepaard gaande met een afname van concentratie- en inprentingvermogen en meerdere van volgende klachten: keelpijn, opgezette lymfeklieren, spierpijn, gewrichtsklachten, hoofdpijn, slaapproblemen, misselijkheid. Men ervaart ernstige beperkingen in het dagelijkse leven.

Een specifiek ziektemechanisme is bij CVS niet vastgesteld. Er zijn alleen hypotheses over. CVS is in die zin geen ziekte in de beperkte biomedische betekenis van het woord, maar voldoet wel aan de definitie die de WHO voor ziekte hanteert, namelijk een afwijkende toestand van het menselijk organisme met vermindering van autonomie die zich uit in stoornissen, beperkingen en handicaps.

Somatische hypothesen:

  • Persisterende infectie: de klachten worden in stand gehouden c.q. veroorzaakt door een persisterende infectie.

  • Immunologische stoornis: er zijn zowel stoornissen van de humorale immuniteit als stoornissen in de cellulaire immuniteit beschreven. Tevens is een gestoorde functie van lymfocytensubsets beschreven.

  • Intoxicatie: de klachten zouden veroorzaakt worden door een intoxicatie. Amalgaam, dioxinen, pesticiden en vuilverbrandingsovens worden hierbij als boosdoeners aangemerkt. De beperkte onderzoeken die in deze richting zijn gedaan, geven geen steun voor deze hypothese.

  • Metabole stoornis: voorbeelden zijn onder andere mitochondriale afwijkingen, acylcarnitinedeficiëntie en toegenomen membraanpermeabiliteit.

  • Endocriene aandoening: stoornissen in de hypothalamus-hypofyse-bijnieras.

  • Afwijkingen in het zenuwstelsel: afwijkingen bij MRI-onderzoek in de frontaal non-specifieke witte stof.

Psychologische hypothesen:

  • Somatisatiestoornis en angststoornis: CVS-patiënten die een groot aantal lichamelijke klachten hebben zonder dat hiervoor een somatische verklaring is gevonden, lopen de kans dat bij hen de diagnose somatisatiestoornis wordt gesteld.

  • Atypische depressie: bij 20% van de CVS-patiënten komt een depressie in engere zin voor.

  • Inactiviteit: bij deze hypothese wordt verondersteld dat de patiënt tijdens een periode inactief is en daardoor in een slechtere lichamelijke conditie is geraakt. Klachten van moeheid en spierpijn treden dan bij een lager niveau van inspanning op. De patiënt schrijft zijn klachten toe aan het feit dat hij zich te veel heeft ingespannen en probeert vervolgens lichamelijke klachten te voorkomen door inspanning te vermijden. Hierdoor verslechtert de lichamelijke conditie en is een vicieuze cirkel ontstaan.

  • Cognities en attributies: uit multidimensioneel onderzoek is naar voren gekomen dat de wijze waarop de patiënt over de klachten (cognities) en over de oorzaak van de klachten (attributies) denkt, mogelijk een rol speelt bij het voortduren van de klachten.

Chronische vermoeidheid komt ook regelmatig voor bij mensen met een chronische ziekte, zoals multipele sclerose. Vermoeidheid komt verder veel voor bij mensen met kanker. Vermoeidheid bij kankerpatiënten kan soms rechtstreeks verklaard worden uit een aanwijsbare lichamelijke oorzaak (bijv. bloedarmoede), maar ook als bijwerking van de behandeling. De vermoeidheid kan na de behandeling nog lange tijd aanwezig zijn. Zo bleek uit onderzoek een derde van de vrouwen die behandeld waren voor borstkanker, 3 jaar na de diagnose nog steeds ernstig vermoeid te zijn. 3

1.2. Diagnostiek 1,2

Anamnese

De anamnese is het belangrijkste instrument bij het vaststellen van de mogelijkheden bij CVS omdat noch lichamelijk onderzoek noch laboratoriumonderzoek doorgaans afwijkingen vertoont. De diagnose CVS kan pas gesteld worden als de klachten ten minste 6 maanden bestaan. Het gedrag van de arts, zoals de gespreksvaardigheid en een respectvolle houding, is van invloed op de duur van de klachten bij patiënten met moeheid. Het eerste contact is belangrijk voor het beloop van de ziekte.

De ernst en het beloop van de klachten kunnen zeer divers van aard zijn. Beperkingen kunnen tot uiting komen na langdurige belasting.

Tijdens het spreekuur kan het volgende aan de orde worden gesteld:

  • de periode voorafgaand aan de klachten;

  • het begin en het beloop van de klachten;

  • mogelijke factoren die de klachten in stand houden.

Diagnostische criteria volgens CDC-94 (Amerikaanse Centres of Disease Control in 1994) zijn:

  • Minstens 6 maanden aanhoudende of steeds terugkerende vermoeidheid waarvoor geen lichamelijke verklaring is gevonden en die:

    • nieuw is, dat wil zeggen niet levenslang aanwezig is;

    • niet het gevolg is van voortdurende inspanning;

    • nauwelijks verbetert met rust;

    • het functioneren ernstig beperkt.

  • In combinatie met vier of meer van de volgende symptomen, gedurende 6 maanden aanhoudend of regelmatig terugkerend en die er niet waren voor de vermoeidheid begon:

    • zelf gerapporteerde verslechtering van het geheugen;

    • keelpijn;

    • gevoelige hals- of okselklieren;

    • spierpijn;

    • gewrichtspijnen;

    • hoofdpijn;

    • niet-verfrissende slaap;

    • na inspanning gevoel van uitputting gedurende 24 uur of langer.

  • Exclusie criteria:

    • een andere aandoening of ziekte die de vermoeidheid (vermoedelijk) verklaard;

    • een psychotische of een bipolaire depressie (een depressieve episode is geen exclusie criterium);

    • dementie;

    • anorexia of boulimia nervosa;

    • actueel alcoholmisbruik of gebruik van drugs;

    • ernstig overgewicht.

In de pathofysiologie van CVS spelen verschillende factoren een rol. Op grond van het moment waarop zij hun invloed doen gelden, wordt onderscheid gemaakt tussen predisponerende, uitlokkende en instandhoudende factoren. De gedachte is dat CVS alleen ontstaat als predisponerende, uitlokkende en instandhoudende factoren in één persoon samenkomen.

Predisponerende factoren: 1

  • Familiaire factoren: uit familie- en tweelingonderzoek komen aanwijzingen dat CVS familiaire aspecten heeft en dat genetische aanleg van belang zou kunnen zijn.

  • Geslacht: CVS komt vaker voor bij vrouwen dan bij mannen.

  • Persoonlijkheid: er zijn aanwijzingen dat neurotisme, een neiging tot overdreven zorgvuldigheid, geen nee kunnen zeggen en niet kunnen ontspannen tot een chronisch verhoogd stressniveau leidt. Dat zou mensen kwetsbaarder voor CVS maken.

  • Levenstijl: bepaalde levenstijlen, samenhangend met persoonlijkheid, kunnen chronische stress genereren, zoals een extreme gerichtheid op presteren of een dwangmatig streven naar controle en perfectie. Vaak wordt er melding gemaakt van overactiviteit voordat ze CVS kregen.

  • Geringe lichamelijke activiteit: na de ziekte van Pfeiffer hebben mensen die daarvoor een leven met weinig lichamelijke beweging leidden, meer kans op het ontwikkelen van CVS. Er zijn aanwijzingen dat weinig lichamelijke beweging in de jeugd de kans op CVS op latere leeftijd vergroot.

  • Leergeschiedenis: wat mensen in hun jeugd meemaken (de leergeschiedenis), is van grote invloed op hun latere leven. Het is bekend dat vroegkinderlijke traumatische gebeurtenissen leiden tot een grote gevoeligheid voor stressfactoren later in het leven. Het verband met CVS moet nog nader worden onderzocht.

Uitlokkende factoren: 1

  • Acute fysieke stress: ernstige verwondingen, langdurige slaapstoornissen, een zware operatieve ingreep of een zwangerschap en bevalling kunnen aan CVS voorafgaan.

  • Infecties: driekwart van de patiënten geeft aan dat de klachten met een infectie zijn begonnen:

    • ziekte van Pfeiffer: in aansluiting aan de ziekte ontwikkelt ongeveer 10 tot 20% CVS;

    • alledaagse infecties (luchtweginfecties en griep): veel patiënten geven aan dat de klachten begonnen na een luchtweginfectie of een darminfectie; op groepsniveau kon echter geen relatie worden aangetoond tussen deze infecties en de kans op het ontwikkelen van CVS;

    • andere infecties: na hepatitis C, Q-koorts en ziekte van Lyme wordt een relatief hoog percentage CVS waargenomen; vergelijkbaar met dat na de ziekte van Pfeiffer.

  • Acute psychologische stress: ingrijpende levensgebeurtenissen kunnen CVS uitlokken.

Instandhoudende factoren: zie paragraaf 1.5.

Lichamelijk onderzoek 2

Een lichamelijk onderzoek kan zinvol zijn om een betere indruk te krijgen van de specifieke klacht en om een lichamelijke oorzaak uit te sluiten (zie tabel 9, pag. 27 in ref. 2).

Aanvullend onderzoek 2

Bij vermoeden van onderliggend lijden kan er specifiek onderzoek plaatsvinden.

Differentiaaldiagnose 2

  • Gelokaliseerd: orgaandisfunctie: endocrien, hart, longen, lever, nier, centraal zenuwstelsel, spieren.

  • Gegeneraliseerd: infectie, niet-infectieuze ontsteking, intoxicatie, stapelingsziekten, neoplasma, anemie.

  • Psychogeen: depressie, angststoornissen, hyperventilatie, conflicten, somatisatiestoornis, overspanning.

1.3. Behandelplan 1,2

In het diagnostische en therapeutische proces bij patiënten met CVS worden drie fasen onderscheiden:

  • Acute fase: periode tot 1 maand na het begin van de klachten.
    In deze fase is het uitsluiten van specifieke oorzaken van de moeheidklachten het doel.

  • Subacute fase: periode tot 6 maanden na het begin van de klachten.
    Belangrijkste doelen in deze fase zijn het uitsluiten van specifieke oorzaken van moeheid, het voorkomen van chroniciteit, het bevorderen van de kwaliteit van leven en het voorkomen van medicalisering. Eventueel kan er beperkt laboratoriumonderzoek plaatsvinden naar specifieke oorzaken. Ook psychische factoren dienen in kaart te worden gebracht.

  • Chronische fase: periode vanaf 6 maanden na het begin van de klachten en de daarmee gepaard gaande beperkingen.
    Belangrijkste doel in deze fase is het bevorderen van de kwaliteit van leven.

Medische behandeling 1-4

  • Cognitieve gedragstherapie (CGT): een vorm van psychotherapie die ten doel heeft veranderingen aan te brengen in cognities en gedragingen van patiënten. Wil CGT succesvol zijn, dan moet deelname vrijwillig zijn. 5

  • Graded Exercise Training: aandacht voor de opbouw van lichamelijke activiteiten is een essentieel onderdeel naast CGT.

  • Pacing en envelope: pacing is een vorm van activiteitenregulatie waarbij de patiënt zelf aangeeft waar de grens van zijn activiteitenniveau ligt. Envelope is het opbouwen van reserves.

  • Medicatie: antidepressiva, antivirale therapie, immunologische therapie.

Toelichting
  • In de behandeling wordt een onderscheid gemaakt tussen CVS-patiënten met een relatief hoog activiteitenniveau en patiënten met een relatief laag activiteitenniveau. Het onderscheid is van belang voor zowel de behandeling en begeleiding, als voor het inschatten van de belastbaarheid.

  • Een groot percentage patiënten stelt zich onder behandeling van een alternatieve genezer.

  • De behandelingen die het meeste resultaat geven voor CVS zijn CGT en graded exercise training

  • De effectiviteit van voedingssupplementen, magnesiuminjecties en antidepressiva zijn onvoldoende onderzocht.

(Preventieve) adviezen (leefstijl)

  • Inactiviteit vermijden.

1.4. Prognose medisch herstel 1,2

Er is weinig onderzoek verricht naar het natuurlijk beloop van CVS. Bij 20-40% van de patiënten wordt verbetering gesignaleerd, bij 55-80% blijft de toestand gelijk of treedt verslechtering op en minder dan 10% van de patiënten hersteld spontaan zover dat ze weer zoals vroeger functioneren. De kans op spontaan herstel na 2 jaar is zeer gering.

Factoren die een negatiefvoorspellende waarde hebben ten aanzien van de kans op herstel of vermindering van klachten zijn lichaamsattributies (het vasthouden aan een lichamelijke oorzaak) en een lage self-efficacy (geen controle hebbend over de klachten).

Sterke somatische attributies kunnen leiden tot een verlaging van het activiteitenniveau en vergroten daarmee de kans op het voortduren van de klachten.

Prognostisch gunstig is een korte ziekteduur op het moment van diagnosestelling.

1.5 Belemmeringen medisch herstel

Comorbiditeit 1,2

Aandoeningen die gepaard kunnen gaan en veel voorkomen met CVS zijn: fibromyalgie, aandoeningen van het kaakgewricht, blaasontsteking, syndroom van Raynaud, afwijkingen aan de hartklep, migraine, allergieën, ziekte van Hashimoto, syndroom van Sjögren, depressieve stoornis, somatisatiestoornis, angststoornis, overspanning.

Instandhoudende factoren 1

  • Fysieke inactiviteit: bewegingsarmoede levert waarschijnlijk een belangrijke bijdrage aan de instandhouding van klachten.

  • Periodieke overactiviteit: sommige patiënten zijn geneigd, zodra ze zich goed voelen, te veel te ondernemen met als gevolg toename van de vermoeidheid, toenemend malaise gevoel en pijn, en herstelproblemen.

  • Somatische attributie: sommige CVS-patiënten schrijven hun klachten toe aan strikt lichamelijke oorzaken. Dit kan leiden tot vermijden van lichamelijke activiteit en tot frequent doktersbezoek.

  • Verhoogde aandacht voor lichamelijke sensaties: fysiologische signalen die men normaal negeert, kunnen onder stresserende omstandigheden leiden tot een verhoogde aandacht voor lichamelijke sensaties, waardoor deze als bedreigend worden ervaren. Dit kan leiden tot verheviging van de vermoeidheidsklachten en tot gedrag dat beperkingen in stand houdt. Voor de patiënt zelf is de waarneming een realiteit.

  • Gedrag van hulpverleners: er zijn aanwijzingen dat de benadering van de patiënt door artsen en andere zorgverleners, van invloed is op het in stand houden van CVS.

  • Sociale factoren: mensen in de omgeving van de patiënt kunnen zijn rol als zieke versterken door ziektegedrag en niet-functionele opvattingen te bevestigen. Anderzijds kan de patiënt die in zijn omgeving op weerstand en onbegrip stuit, gedemoraliseerd raken en opstandig worden, wat het ziektegedrag kan versterken.

Werkfactoren

Zie paragraaf 2.5.

2. Re-integratie

2.1. Diagnostiek arbeidsmogelijkheden 2

Arbeidsanamnese

Aandachtspunten: Hoe liggen de verhoudingen op het werk? Worden de klachten door de chef en de collega’s serieus genomen? Hoe is de arbeidsmotivatie? Hoelang is de reistijd?

Diagnostische hulpmiddelen/vragenlijsten 2

Verkorte Vermoeidheidsvragenlijst: deze lijst geeft vooral een indruk van de lichamelijke vermoeidheid en niet van de psychische vermoeidheid.

Werkplekonderzoek (RI&E)

Aandachtspunten: Indien nodig kan een arbeidsdeskundige de functiebelastbaarheid in kaart brengen. Dit om na te gaan of er specifiek belastende factoren aanwezig zijn. Een werkplekonderzoek is zeker aan de orde in geval van advisering naar aanleiding van blijvende beperkingen. Betrek bij een werkplekonderzoek actief de leidinggevende; eventuele aanpassingen kunnen dan direct worden besproken.

Opmerkingen aangaande diagnostiek

Voor wetenschappelijke doeleinden zijn vragenlijsten ontwikkeld (bijv. checklist Individuele Spankracht, en zelf observatie lijsten) die de mate van moeheid redelijk betrouwbaar kunnen meten, doch deze zijn vanwege hun omvang en interpretatie niet geschikt voor gebruik in de dagelijkse praktijk. Registratie van de fysieke activiteit is eveneens verre van praktisch.

2.2. Functionele mogelijkheden

Van de zes rubrieken waaruit de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) is opgebouwd, zijn de te verwachte beperkingen voor werknemers met CVS met name in de rubrieken I (persoonlijk functioneren), III (fysische omgevingseisen), IV (dynamische handelingen), V (statische houdingen) en VI (werktijden). Het gaat om de volgende items:

FML-itemRubriek
Handelingstempo I-7
Veelvuldige storingen, contacten met verschillende personen tegelijk I
Deadlines en productiepieken I
Langer durende mentale inspanning I
Verhoogd veiligheidsrisico I
Geluidsbelasting III-7
Tempodwang IV
Energetisch belastende dynamische handelingen, bijvoorbeeld lopen, traplopen, tillen, dragen, frequent uitgevoerde handelingen IV
Energetisch belastende statische houdingen, bijvoorbeeld langdurig staan V
Werktijden: perioden per etmaal VI-1
Werktijden: uren per dag VI-2
Werktijden: uren per week VI-3
Werktijden: overige beperkingen ten aanzien van werktijden VI-4

2.3. Re-integratieplan

Algemeen 2

CVS-patiënten hebben per definitie aanzienlijke beperkingen in het beroepsmatig, sociaal en/of persoonlijk functioneren.

Een zorgvuldige probleemanalyse met nadrukkelijke aandacht voor de sociale context is van belang voor een goede begeleiding van zieke werknemers.

De vermoeidheid kan mentale functies vertragen. Werken onder tijdsdruk of in een hoog tempo is minder goed mogelijk.

Om een uitspraak te doen over de belastbaarheid zal een aantal aspecten moeten worden nagegaan. Een stappenplan kan hierbij ondersteuning bieden (zie hiervoor ook Kroneman en Swanink 2 ):

Stap 1: Inventariseer de klachten en de stand van zaken met betrekking tot diagnose en eventuele therapie.

Stap 2: Ga samen met betrokkene na welke mogelijkheden er zijn om met de aandoening te kunnen functioneren.

Stap 3: Ga na welke hypothesen de patiënt zelf heeft met betrekking tot zijn ziekte.

Stap 4: Ga samen de mogelijkheden van re-integratie na en maak concrete afspraken voor de toekomst.

Voorlichting aan chef en collega’s kan een belangrijke bijdrage leveren aan de re-integratie. Negativisme over CVS door collega’s of leidinggevende heeft een negatieve invloed op de re-integratie.

Persoonsgerichte adviezen 1

  • Blijf in contact met betrokken werknemer en geef perspectief op terugkeer naar werk. Laat, indien mogelijk, de werknemer echter blijven deelnemen aan het arbeidsproces (graduele, tijdcontingente aanpak). Dit kan verdere deconditionering voorkomen en biedt een betere basis voor herstel. Het is belangrijk dat de werknemer gaat inzien dat verder doorzoeken naar oorzaken en behandelmethoden geen zin heeft, maar dat winst is te halen uit het zich richten op het bevorderen van de gezondheid.

  • Voorkomen van overschrijden van de eigen grenzen van de werknemer.

  • Voldoende hersteltijd voor de werknemer inbouwen.

  • Zodanig het eindniveau van de werknemer kiezen dat dit duurzaam haalbaar blijft.

  • Geen arbeidstherapie maar zo spoedig mogelijk loonwaarde.

Werkgerichte adviezen 2

  • Als betrokkene voldoende belastbaar is, het werk voorzichtig laten starten qua zwaarte en qua duur (graduele, tijdcontingente aanpak) en rekening houden met een verder herstel op de langere termijn.

  • Aanpassen van werk en rusttijden. Dit zal in vrijwel alle gevallen noodzakelijk zijn: een arbeidsduurbeperking per dag en per week.

  • Aanpassing van taken. Dit zal vaak nodig zijn om het werk in overeenstemming te brengen met de belastbaarheid: geen fysiek zwaar werk, geen werk dat een beroep doet op geheugen en concentratievermogen, geen stress, mogelijkheid tot ander werk.

  • Aanpassen van de omstandigheden: 4 werkruimte (rustig, rookvrij, indien mogelijk de aanwezigheid van een rustruimte met mogelijkheid om te liggen), middelen (hulpmiddelen, meubilair, machines).

  • Woon-werkverkeer aanpassen, zoals niet reizen in de spits, mogelijkheid tot thuiswerken.

2.4. Prognose herstel belastbaarheid

Zie hiervoor paragraaf 1.4.

2.5. Belemmeringen herstel belastbaarheid werkhervatting 1

Werkgebonden belemmeringen

  • Fysiek en mentale veeleisendheid van het werk.

  • Stress op het werk.

  • Ontevredenheid over het werk.

  • Een ervaren gebrek aan sociale steun op het werk, moeilijke verhoudingen met collega’s en leidinggevende.

  • Toeschrijven van CVS aan een oorzaak in het werk, bijvoorbeeld overgevoeligheid voor of schadelijkheid van bepaalde stoffen.

Persoonsgebonden belemmeringen

Zie paragraaf 1.5, Instandhoudende factoren.

Belemmeringen in de thuissituatie

Zie paragraaf 1.5, Instandhoudende factoren.

Medische belemmeringen

Zie paragraaf 1.5.

3. Epidemiologie

Incidentie en prevalentie 1

In Nederland zijn er vermoedelijk tussen de 30.000 en 40.000 patiënten met CVS. De schattingen van incidentie in Nederland lopen uiteen van 2.900 tot 9.800 nieuwe gevallen per jaar.

CVS komt meer voor bij vrouwen dan bij mannen.

Leeftijd

De gemiddelde leeftijd waarop de klachten ontstaan, varieert tussen de 29 en 35 jaar.

CVS komt vaker voor bij jongeren en mensen van middelbare leeftijd.

De leeftijdspecifieke prevalentie is het hoogst tussen de 40-49 jaar.

  • Risicovolle beroepen: 3 beroepen in de gezondheidszorg, onderwijs en andere vakspecialismen komen relatief vaak voor bij CVS-patiënten.

  • Risicovolle branches/sectoren: niets over bekend.

4. Verwijzen en samenwerken 1,2

Algemeen

Goede samenwerking tussen huisartsen, bedrijfsartsen en verzekeringsartsen is essentieel. Het is van belang dat het beleid op elkaar aansluit en dat de patiënt van alle betrokken artsen dezelfde boodschap krijgt.

Specifieke verwijsindicaties

Verwijzen in het kader van conditionele relaties: zie paragraaf 1.3.

De huisarts verwijst naar de bedrijfsarts bij specifiek werkgerelateerde problematiek.

Overleg met derden:

  • Met de behandelend arts als er onduidelijkheid is over de ziekteduur en eventueel verricht onderzoek of als de bedrijfsarts een andere oorzaak van de klachten vermoedt.

  • Met een deskundige voor expertise indien er op grond van de anamnese of lichamelijk onderzoek aanwijzingen zijn voor andere oorzaken van moeheid, of de behoefte om de mate van neuropsychologisch stoornis in kaart te brengen.

5. Verzuimreferentieduren

De referentiegegevens voor de verzuimduur CVS zijn gebaseerd op verzuimgegevens van vier arbodiensten van verzuimgevallen die in 2004 of in 2005 zijn beëindigd. In totaal waren dit 245.000 gevallen. In 0,93% van de gevallen betrof het verzuim met CAS-code A102 (algemene malaise en vermoeidheid) en in 0,05% van de gevallen verzuim met CAS-code N690 (myalgische encefalomyelitis).

Figuur.

Figuur.

In de grafieken met uitstroomcurven is weergegeven welk deel van de verzuimgevallen het werk hervat binnen een bepaalde periode. Daarbij is onderscheid gemaakt tussen de eerste hervatting (stippellijn), 50% hervatting (grijze lijn) en volledige werkhervatting (zwarte lijn). Rond iedere lijn zijn met stippellijntjes de onzekerheidsmarges (95%-betrouwbaarheidsinterval) weergegeven.

Doordat de curve alleen verzuimgevallen die minimaal 43 dagen hebben geduurd, bevat, start de uitstroomcurve bij 6 weken verzuim. Op dat moment is 0% volledig hervat. Bij een deel van de verzuimgevallen is bij 6 weken wel sprake van gedeeltelijke hervatting. De uitstroomcurves voor de eerste gedeeltelijke hervatting en voor 50% hervatting starten daardoor doorgaans boven de 0%.

De groep met CAS-code A102 heeft een duidelijk ander hervattingpatroon dan de groep met CAS-code N690.

Figuur.

Figuur.

Deze grafieken geven de uitstroom per maand weer voor volledige werkhervatting. Dit geeft een snelle manier om in te schatten hoe het staat met werknemers met CVS die 6 weken verzuimen.

Na 2 maanden is van degenen met algehele malaise en vermoeidheid ongeveer een kwart volledig aan het werk, na 3 maanden is 45% aan het werk, maar na een jaar is ongeveer 8% nog niet volledig aan het werk. Van degenen met CAS-code N690 (myalgische encefalomyelitis) is na 3 maanden ongeveer een kwart volledig aan het werk. Na een jaar is echter ruim 30% nog niet volledig aan het werk.

Kengetallen Malaise en vermoeidheid

 Aantal weken totAantal weken totAantal weken
 eerste hervatting50% hervattingverzuim
Gemiddeld 8,64 12,29 22,90
Percentiel 25 1 4 9
Mediaan 3 8 14
Percentiel 75 10 14 24
Valid N 1.860 1.941 2.269

Kengetallen Myalgische encefalomyelitis

 Aantal weken totAantal weken totAantal weken
 eerste hervatting50% hervattingverzuim
Gemiddeld 14,53 21,65 46,87
Percentiel 25 1 4 14
Mediaan 5 10 26
Percentiel 75 16 29 64
Valid N 104 111 123

De tabellen met kengetallen geven het gemiddelde aantal weken tot de werkhervatting weer van werknemers met CVS die minimaal 6 weken verzuimen. Bovendien is het 25e percentiel, de mediaan en het 75e percentiel gegeven. Deze geven respectievelijk aan na hoeveel weken 25% van de werknemers met CVS het werk heeft hervat, 50% het werk heeft hervat en 75% het werk heeft hervat. De verzuimduren hebben betrekking op verzuimgevallen van 43 dagen en langer. Er kan een verschil zijn tussen de valid N in de eerste, tweede en derde kolom omdat niet bij alle verzuimen er eerst een gedeeltelijke hervatting heeft plaatsgevonden of de datum daarvan onbekend is.

In 2006 en 2007 werden 383 WIA aanvragen met A101 en N690 aangevraagd. Dit is 0,5% van alle aanvragen. In 54% van de gevallen werd de aanvraag afgewezen, en in 46% toegewezen. Bij 1% werd een uitkering toegewezen op basis van een volledige arbeidsongeschiktheid (IVA). Er is geen noemenswaardig verschil in de WIA-beoordeling van A102 en N690 in 2006 en 2007.

WIA-aanvragen met CAS-code A102 en N690 in 2006 en 2007

 AantalTotaalPercAantalTotaalPerc
Omschrijving200620062006200720072007
Afwijzing aanvraag WIA, < 35% AO of geschikt eigen werk 77 11.516 0,3 78 11.185 0,3
Afwijzing aanvraag WIA, herstel 4 1.266 0,2 2 1.050 0,1
Afwijzing aanvraag WIA, overige redenen 6 1.286 0,2 8 1.980 0,2
Afwijzing aanvraag WIA, overleden of 65 jaar geworden   7     6  
Afwijzing aanvraag WIA, reden (nog) onbekend 17 3.240 0,3 16 2.413 0,3
Toewijzing IVA 2 3.795 0 2 4.388 0
Toewijzing WGA 53 5.306 0,5 39 5.768 0,3
Toewijzing WGA volledig AO 35 8.906 0,2 44 10.464 0,2
Totaal (N690, A102) 194 35.322 0,3 189 37.254 0,3

6. Preventie 6

Wetenschappelijke onderbouwde kennis over preventie van CVS ontbreekt tot dusverre geheel.

Literatuur

1. Gezondheidsraad. Verzekeringsgeneeskundige protocollen: Chronische-vermoeidheidssyndroom, Lumbosacraal radiculair syndroom. Den Haag: Gezondheidsraad, 2007; publ. nr. 2007/12.
2. Kroneman H, Swanink CMA. Het chronische vermoeidheidssyndroom. In: Willems JHBM, Croon NHTh, Koten JW (red.), Handboek arbeid en belastbaarheid. Houten: Bohn Stafleu van Loghum, 1991.
3. Bakker M, Werf ML van der. Het chronische vermoeidheidssyndroom en de arbeidsongeschiktheidsbeoordeling, Scriptie in het kader van de opleiding Arts voor arbeid en gezondheid uitstroomprofiel verzekeringsarts. Hoofddorp: TNO Arbeid, januari 2000.
4. Blatter BM. Werk, uitval en reïntegratie met ME/CVS. Tijdschr Bedrijfs Verzekeringsgeneeskd 2005;13:198-204.
5. Kenniscentrum chronische vermoeidheid Nijmegen. http://www.umcn.nl/professional.
6. Gezondheidsraad. Het chronische-vermoeidheidssyndroom. Den Haag: Gezondheidsraad, 2005; publ. nr 2005/02.
7. Feenstra L, Meinders AE, Schil PEY Van, Vandenbroucke JP. Codex medicus. Twaalfde druk. Doetichem: Elsevier, 2005.
8. Rimes KA, Chalder T. Treatments for chronic fatigue syndrome. Occup Med 2005;55:32-9.
9. Bower JE, Ganz PA, Desmond KA, et al. Fatigue in breast cancer survivors: Occurrence, correlates and impact on quality on life. J Clin Oncol 2000;18:743-53.
   

Terug    Tip-een-vriend!    Naar boven