Duizeligheid

Samenvatting

De incidentie van duizeligheid in de huisartsenpraktijk is ongeveer 27:1.000 per jaar; vrouwen komen tweemaal zo vaak als mannen met deze klacht en er is een toename met de leeftijd. Perifere vestibulaire (35-55%) en psychiatrische aandoeningen (10-25%) blijken de meest frequente oorzaken van duizeligheid te zijn. De behandeling is afhankelijk van de oorzaak, voor duizeligheidsklachten van vestibulaire oorsprong zijn weinig behandelmogelijkheden. De enige beroepsgebonden oorzaak van duizeligheid is barotrauma bij duikers en luchtvaartpersoneel. Duizeligheid kan niet alleen ernstige beperkende gevolgen hebben voor het functioneren in complexe werksituaties, het werken met gevaarlijke machines, het beroepsvervoer en kraanmachinisten, maar ook voor het gewone autogebruik. Van de verzuimende werknemers die minstens 6 weken verzuimen is na 6 maanden 70% weer volledig aan het werk. Van de WIA-aanvragen met CAS-code duizeligheid of vestibulaire stoornis wordt in circa 50% van de gevallen geen uitkering toegekend.

Algemeen

  • CAS-codes: N100 – duizeligheid en draaierigheid; H639 – vestibulaire functiestoornis.

  • ICD-10-codes: diseases of inner ear (H80-H82): H81 – disorders of vestibular function (excludes: vertigo: NOS (R42) and epidemic (A88.1)); H81.0 – Ménière’s disease; H81.1 – benign paroxysmal vertigo; H81.2 – vestibular neuronitis; H81.3 – other peripheral vertigo; H81.4 – vertigo of central origin (central positional nystagmus); H81.8 – other disorders of vestibular function; H81.9 – disorder of vestibular function, unspecified; H82* – vertiginous syndromes in diseases classified elsewhere.

  • Afbakening: otosclerosis (H80) en acoustic trauma (H83.3) vallen onder het lemma Gehooraandoeningen.

Synoniemen

Draaiduizeligheid, vertigo (Eng.); benigne paroxismale positieduizeligheid = benign paroxismal vertigo; neuritis vestibularis= vestibular neuronitis, neuronitis vestibularis of labyrinthitis.

1. Diagnose en behandeling

1.1. Definitie 1-4

Vertigo of draaiduizeligheid is de subjectieve beleving dat men beweegt of draait of dat voorwerpen bewegen of draaien. Dit gaat meestal gepaard met misselijkheid en evenwichtsverlies en is van vestibulaire oorsprong. Draaiduizeligheid komt voor bij:

  • benigne paroxismale positieduizeligheid (BPPD): kortdurende aanvallen na bepaalde hoofdbewegingen. Oorzaak: prikkeling van de crista ampullaris, onderdeel van het evenwichtsorgaan, door losgelaten stukjes statolith (gruis van calciumcarbonaatsteentjes die op de haarcellen in het evenwichtsorgaan liggen).

  • neuritis vestibularis: acuut optredende duizeligheid van vestibulaire oorsprong. Oorzaak: een virusinfectie.

  • ziekte van Ménière: aanvallen van draaiduizeligheid, perceptief gehoorverlies, oorsuizen (tinnitus) en vegetatieve verschijnselen zoals misselijkheid en braken. Uiteindelijk ontstaat blijvend gehoorverlies. Oorzaak: niet bekend, er is vermoedelijk een hydrops van het endolymfatisch systeem.

  • CVA/TIA in het verzorgingsgebied van a. vertebralis en a. basilaris.

Duizeligheid is een licht gevoel in het hoofd of het gevoel flauw te vallen. De oorzaak ligt buiten het vestibulaire apparaat. Oorzaken zijn:

  • psychisch: angst en paniekstoornissen;

  • orthostatisch: klachten ontstaan na houdingsverandering zoals opkomen uit liggende of zittende houding;

  • vasovagaal: emoties of lang staan;

  • cardiovasculair: inspanningsgebonden klachten door hartafwijkingen zoals ritmestoornissen;

  • medicatie: aminoglycosiden, lisdiuretica, lithium, fenytoïne, antihypertensiva, antihistaminica, dopamineantagonisten, overig geneesmiddelengebruik. 3

Bij een deel van de patiënten wordt geen verklaring voor de klachten gevonden.

1.2. Diagnostiek 1-6

Anamnese

Klachten
  • Aard van de duizeligheid, uitlokkende factoren, ernst en beloop van de heftigheid, duur en beloop klachten.

  • Begeleidende verschijnselen zoals gehoorproblemen, oorsuizen, vegetatieve verschijnselen, neurologische afwijkingen (o.a. dubbelzien, slikstoornissen, valneiging).

  • Medicatie.

  • Klachten middenoor.

  • Aanwezigheid van stressoren.

  • Klachten die passen bij paniek of angststoornis, angst, vermijdingsgedrag.

Voorgeschiedenis

Kno-klachten, virale bovenste luchtweginfectie.

Risicofactoren

Gebruik van medicatie en alcoholmisbruik.

Lichamelijk onderzoek

(Uit te voeren in de spreekkamer bedrijfsarts/huisarts.)

  • Bij heftige draaiduizeligheid: neurologisch onderzoek:

    • vestibulair onderzoek: observeer de wijze van lopen, proef van Romberg, wijsproef van Barany, top-neusproef, diadochokinese, koorddansersgang;

    • oog en oogbewegingsonderzoek: pupilreacties, nystagmus;

    • provocatieproef zoals kiepproef van Dix-Hallpike.

  • Bij licht gevoel in het hoofd: polsfrequentie en hartritme.

  • Bij inspanningsgebonden klachten: auscultatie van het hart, tensiemeting.

  • Op indicatie: beoordeling trommelvlies en balans, kracht, opstaan uit zit, reflexen, coördinatie, orthopedisch onderzoek van gewrichten van de benen.

Aanvullend onderzoek

Bij verdenking op Ménière: een audiogram.

Door de kno-arts kan elektronystagmografie gedaan worden bij verdenking op een stoornis van het vestibulaire systeem.

Differentiaaldiagnose

Ongeval met hoofdletsel, processen in de achterste schedelgroeve, cholesteatoom, oogspierverlammingen, whiplashtrauma, alcoholintoxicatie, auto-immuunziekten (zoals reumatoïde artritis, Sjögren), multiple sclerose, hyperventilatie, vitamine-B12-deficiëntie.

1.3. Behandelplan 1-3

Medische behandeling

  • Benigne paroxismale positieduizeligheid: 
    Voorlichting, vaak spontaan herstel, oefeningen kunnen het herstel bevorderen. Deze gewenningsoefeningen bestaan uit het opwekken van de duizeligheid door positieveranderingen en moeten 15-20 keer herhaald worden (Epley-manoeuvres).

  • Neuritis vestibularis: 
    Enkele dagen bedrust, bij restklachten normaal blijven bewegen. Bij aanhoudende duizeligheid revalidatie om centrale compensatie te bevorderen.

  • Ziekte van Ménière: 
    Verwijzing naar kno-arts voor onderzoek. Het beloop is onvoorspelbaar. Men moet met de klachten leren leven. Behandeling is symptomatisch: cinnarizine, betahistine of psychofarmaca tegen de duizeligheidsklachten, chirurgisch ingrijpen wordt zelden geadviseerd.

  • CVA/TIA: 
    Verwijzing naar neuroloog.

  • Cardiale aandoening: 
    Verwijzing naar cardioloog.

  • Orthostatische klachten: 
    Adviezen over rustig overeind komen, aanpassen houding, aanspannen kuitspieren.

(Preventieve) adviezen (leefstijl)

Sportduiken en vliegen kunnen barotrauma veroorzaken, een van de symptomen van barotrauma is duizeligheid.

1.4. Prognose medisch herstel 1,2

  • Spontaan verloop aandoening:

    • BPPD: herstel binnen 1 maand. Indien na 2 maanden nog klachten dan doorverwijzen naar neuroloog of kno-arts.

    • neuritis vestibularis: de invaliderende heftige duizeligheid neemt na enkele dagen tot 2 weken af. Volledig herstel heeft gemiddeld 6 weken nodig.

    • Ziekte van Ménière : er kunnen weken of maanden tussen de aanvallen zitten, soms doven de klachten na 5 jaar uit. Bij ongeveer de helft van de patiënten komt de ziekte uiteindelijk ook voor aan het andere oor. Ruim de helft van de patiënten houdt tinnitus, een derde houdt een vol gevoel in het oor.

  • Bij de neurologische en cardiologische oorzaken hangt het herstel af van de ernst van de aandoening (voor herstel, zie de Lemma’s Myocardinfarct en Tensie).

  • Psychische klachten (voor herstel, zie de Lemma’s Paniekstoornis en Spanning en overspanning).

  • Angst en stress: het niet in staat zijn met de klachten om te gaan, beïnvloeden de klachten negatief.

  • Voor de klachten van vestibulaire oorsprong zijn weinig behandelmogelijkheden.

1.5. Belemmeringen medisch herstel 5

Comorbiditeit

Tumoren van het CZS, diabetes, multipele sclerose, auto-immuunziekten (lupus erythematosus, Sjögren, RA), posttraumatische stressstoornis.

Complicaties

Complicaties zijn afhankelijk van het onderliggende ziektebeeld. Bij Ménière ontstaat blijvend gehoorverlies.

Leefstijl

Zie paragraaf 1.3.

Werkfactoren

Blootstelling aan ototoxische stoffen, duiken.

2. Re-integratie

2.1. Diagnostiek arbeidsmogelijkheden 3,5,7,8

Algemeen

  • Arbeidsanamnese. Het bepalen van het functieverlies bij de duizelige werknemer geeft meer problemen dan bij de slechthorende. De klacht duizeligheid kan sterk variëren, ondanks gelijke bevindingen bij vestibulair onderzoek. De bedrijfsarts is derhalve bij de evaluatie van duizeligheid of evenwichtsstoornissen meer afhankelijk van de klachten zoals die door de werknemer worden ervaren en door hem en zijn omgeving (familie, huisarts, collega’s, chefs) worden waargenomen. Er dient een inventarisatie plaats te vinden van wat de werknemer nog kan en welke situaties moeten worden vermeden.
    De inventarisatie vindt plaats op de volgende drie niveaus:

    • functioneren in het dagelijks leven: vraag naar dagelijkse activiteiten en of die problemen veroorzaken;

    • functioneren in het maatschappelijk leven: vraag naar sport, verenigingsleven, woon-werkverkeer, mogelijkheid tot gebruik openbaarvervoer;

    • functioneren in het werk: vraag naar complexe werktaken waarbij houding en blikstabilisatie belangrijk zijn: werken op steigers, ladders en masten, achteruitlopen, het dragen van volle dienbladen, langdurig beeldschermwerk, autorijden, werken met gevaarlijke machines of nabij hoogspanningskabels.

  • Preventieve maatregelen zijn afhankelijk van de functie: zie de arbeidsanamnese.

Diagnostische hulpmiddelen/vragenlijsten

Geen.

Werkplekonderzoek (RI&E)

Aandachtspunten: werktempo, werken op hoogte, mogelijkheden tot pauze en herstel na een aanval.

Bekende conditionele relaties

Blootstelling aan medicatie zoals gentamicine.

Bekende causale relaties

Barotrauma (traumatische trommelvliesperforatie door drukverandering) en decompressieziekte bij duikers en barotrauma’s door verkoudheid en bovenste luchtweginfecties bij cockpit en cabinepersoneel van vliegtuigen.

2.2. Functionele mogelijkheden 3,8,9

Van de zes rubrieken waaruit de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) is opgebouwd, zijn de te verwachten beperkingen voor werknemers met duizeligheidsklachten in de rubrieken I (persoonlijk functioneren), II (sociaal functioneren), IV (dynamisch handelingen), V (statische houdingen) en VI (werktijden). Het gaat om de volgende items:

FML-itemRubriek
Handelingstempo I-7
Vervoer II-10
Buigen IV-10
Frequent buigen tijdens het werk IV-11
Torderen IV-12
Hoofdbewegingen maken IV-17
Lopen IV-18
Lopen tijdens het werk IV-19
Trappenlopen IV-20
Klimmen IV-21
Staan V-3
Staan tijdens het werk V-4
Gebogen en/of getordeerd actief zijn V-6
Perioden van het etmaal VI-1
Uren per dag VI-2
Uren per week VI-3

Toelichting

Functies en taken die niet geschikt zijn voor mensen met ernstige duizeligheidsklachten:

  • werken onder tempodwang zoals lopendebandwerk.

  • beroepen met een sociale functie zoals artiesten en presentatoren, die optreden voor publiek.

  • beroepen waarbij continue waakzaamheid geboden is zoals verkeersregelaars, ok-personeel, leerkrachten.

  • werken op hoogte zoals daken, steigers of ladders, werken met of bij gevaarlijke machines;

  • werken in het beroepsvervoer zijn niet mogelijk, ook beroeps- en verkeersvliegers, duikers en kraanmachinisten zijn voor dit werk (tijdelijk) arbeidsongeschikt door acute of aanvalsgewijze duizeligheidsklachten;

  • werken in de binnenvaart: aandoeningen die gepaard gaan met evenwichtsstoornissen of aanvallen van acute draaiduizeligheid zijn een reden tot blijvende arbeidsongeschiktheid voor dit werk (zie regeling geneeskundig onderzoek vaarbewijzen binnenvaart 10 );

  • werken als machinisten, spoorweg rangeerders, wagencontroleurs, treindienstleiders, leiders werkplekbeveiliging, veiligheidsmannen en werktreinbegeleiders; ook hiervoor gelden richtlijnen.

Algemene richtlijnen voor de oordeelsvorming omtrent de mate van arbeidsgeschiktheid zijn moeilijk te geven. Uiteindelijk blijft het steeds een individuele afweging, met als concrete vraag of de te beoordelen duizelige patiënt zijn taken kan verrichten zonder zichzelf of derden in gevaar te brengen c.q. het productieproces zodanig te beïnvloeden dat stagnatie of schade optreedt, bijvoorbeeld bij werkzaamheden waarbij continue aandacht wordt gevergd.

2.3. Re-integratieplan

Algemeen

Het formuleren van het re-integratieplan door de bedrijfsarts geschiedt op grond van de probleemanalyse. In het re-integratieplan wordt aandacht besteed aan het volgende:

  • voorlichting chef-collega’s: uitleg over de (tijdelijke) beperkingen, vastleggen van taken die gevaar voor medewerker of collega’s opleveren.

  • Na behandeling en onderdrukken van de duizeligheid kunnen de werkzaamheden veelal hervat worden. Wel dient op de bijwerking van de medicijnen gelet te worden. Cinnarizine en flunarizine kunnen sufheid en slaperigheid veroorzaken, hetgeen de rijvaardigheid en het veilig werken negatief beïnvloedt.

  • Bij blijvende klachten en arbeidsongeschiktheid moet omscholing of re-integratie tweede spoor geadviseerd worden, een vroege probleemanalyse kan hierbij helpen.

Persoonsgerichte adviezen

  • Verhoging mogelijkheden tot functioneren: adequate behandeling, mobilisatie ook bij klachten, dus de patiënt moet blijven bewegen, aanpassen van de functie, bij werken op hoogtes valbevestiging.

  • Indien orthostatische klachten: adviseer werknemers rustig op te komen; klachten worden tegengegaan door de houding aan te passen (staan met gekruiste benen, vooroverbuigen, hurken, knielen) of wisselend de kuitmusculatuur aan te spannen.

  • Vermoeidheid en stress kunnen de klachten verergeren.

  • Eventuele graduele, tijdcontingente aanpak is aan te bevelen bij het opbouwen van de werkzaamheden als de duizeligheid veroorzaakt wordt door psychische klachten.

Er zijn geen specifieke revalidatie- of interventieprogramma’s.

Werkgerichte adviezen

Bij een behandeling met ototoxische stoffen dient geen blootstelling aan lawaai plaats te vinden (ook niet aan hard geluid van walkman of mp3-speler). 3

2.4. Prognose herstel belastbaarheid 3,5

  • Bij acute duizeligheid of vertigo is een medewerker na enkele dagen tot ongeveer 4 weken weer volledig belastbaar. Bij chronische klachten kan volledige arbeidsongeschiktheid voor eigen werk ontstaan.

  • Prognostische factoren: zie comorbiditeit.

2.5. Belemmeringen herstel belastbaarheid/ werkhervatting 3,5,9,10

Werkgebonden belemmeringen

  • Aangepast werk beschikbaar.

  • Geen verlenging van het rijbewijs: duizeligheidsklachten maken mensen ongeschikt voor een functie in het beroepsvervoer. 9

Duizeligheid veroorzaakt door hartritmestoornissen:

Voor personen bij wie een implanteerbare cardioverterdefibrillator (ICD) is ingebracht, is altijd een specialistisch rapport van een cardioloog met kennis en ervaring op dit gebied vereist. Deze personen zijn ongeschikt gedurende een observatieperiode van 2 maanden na implantatie. Blijkt aan het einde van deze periode dat het apparaat geen elektroshocks heeft afgegeven, dan wel dat zich tijdens stimulatie door de ICD geen ernstige hemodynamische problemen hebben voorgedaan, dan kunnen bedoelde personen voor een beperkte termijn geschikt worden verklaard voor rijbewijzen van groep 1 (personenauto en motor).

Personen met een ICD zijn in alle gevallen ongeschikt voor rijbewijzen van groep 2.

In individuele gevallen kan een uitzondering worden gemaakt op de beperking tot privégebruik voor een termijn van maximaal 5 jaren en kan het rijbewijs ook worden gebruikt voor bepaalde vormen van beroepsmatig gebruik. Voorwaarde is keuring door een specialist en een verklaring van de werkgever waaruit blijkt dat niet meer dan 4 uur per dag beroepsmatig gebruik wordt gemaakt van het rijbewijs. Deze uitzondering is niet mogelijk als het beroepsmatig gebruik betrekking heeft op het vervoeren van personen of het onder toezicht doen besturen van derden.

Duizeligheid veroorzaakt door doorbloedingstoornis hersenen of niet geopereerde hersentumoren:

Hiervoor gelden diverse beperkingen. 9

Duizeligheid veroorzaakt door slechthorendheid en doofheid:

Na acuut ontstaan van gehoorverlies of uitval van de evenwichtsfunctie dient men een aanpassingsperiode van minstens 3 maanden in acht te nemen, waarin de betrokkene als ongeschikt moet worden beschouwd.

Draaiduizeligheid of aanvallen van evenwichtsstoornis (zoals bij het syndroom van Ménière):

Deze maken een werknemer ongeschikt voor het besturen van motorrijtuigen. Na een klachtenvrije periode van 3 maanden kan de betrokkene, aan de hand van de aantekening van de keurend arts, geschikt worden verklaard voor een beperkte termijn. De duur van die termijn hangt mede af van de (vroegere) frequentie en de (on)voorspelbaarheid van de aanvallen.

3. Epidemiologie 3,11

Incidentie en prevalentie

Werkende beroepsbevolkingManVrouwTotaal
Prevalentie 7% 10%  

Over de incidentie en prevalentie van duizeligheid is weinig bekend. 3

De incidentie van duizeligheid in de huisartsenpraktijk is ongeveer 27 per 1.000 per jaar; vrouwen komen tweemaal zo vaak als mannen met deze klacht en er is een toename met de leeftijd.

Perifere vestibulaire (35-55%) en psychiatrische aandoeningen (10-25%) blijken de meest frequente oorzaken van duizeligheid te zijn. Van de patiënten die met duizeligheidsklachten bij de huisarts komen, blijkt:

  • circa 10-16% vertigo te hebben; hiervan heeft 10% de ziekte van Ménière;

  • circa 50% een organisch lijden te hebben;

  • van 40% de oorzaak van de klachten onbekend te blijven.

De prevalentie van de ziekte van Ménière is ongeveer 1 op de 1.000.

De incidentie van BPPD is ongeveer 64 per 100.000. 11

  • Risicovolle beroepen: duikers.

  • Risicovolle branches/sectoren: cabine- en cockpitpersoneel.

4. Verwijzen en samenwerken

Algemeen

De huisarts verwijst door naar de bedrijfsarts indien er een positief antwoord is op twee vragen: Denkt u dat de klachten te maken hebben met het werk? En verergeren de klachten op het werk?

Overleg tussen behandelaar en bedrijfsarts is geïndiceerd bij tegenstrijdige adviezen van behandelaar en bedrijfsarts. In alle gevallen moet vermeden worden dat de patiënt tegenstrijdige adviezen krijgt en is afstemming tussen de behandelaar en de bedrijfsarts gewenst.

Algemene verwijsindicaties

De huisarts verwijst bij:

  • aanwijzingen voor een ernstige onderliggende aandoening;

  • centraal-neurologisch of cardiaal naar neuroloog respectievelijk cardioloog;

  • acute perifeer vestibulaire uitval in aanwezigheid van oorproblemen naar de kno-arts;

  • duizeligheid zonder duidelijke oorzaak en als verder onderzoek gewenst is vanwege ernst of ongerustheid naar de neuroloog of de kno-arts;

  • verdenking ziekte van Ménière (om diagnostische twijfel weg te nemen) naar de kno-arts.

Specifieke verwijsindicaties

  • Verwijzing naar fysiotherapeut bij blijvende duizeligheidsklachten om compensatietechnieken aan te leren.

5. Verzuimreferentieduren

De referentiegegevens voor de verzuimduur van duizeligheid zijn gebaseerd op verzuimgegevens van vier arbodiensten van verzuimgevallen die in 2004 of in 2005 zijn beëindigd. Omdat in veel gevallen er pas bij 6 weken verzuim een diagnose door een bedrijfsarts is genoteerd, zijn alleen verzuimgevallen die minimaal 43 dagen duren in het bestand opgenomen. In totaal waren dit 245.000 gevallen. In 0,33% van de gevallen betrof het verzuim met CAS-code N100 (duizeligheid en draaierigheid) en in 0,16% van de gevallen verzuim met CAS-code H639 (vestibulaire functiestoornis).

Figuur.

Figuur.

In de grafiek met uitstroomcurven is weergegeven welk deel van de verzuimgevallen het werk hervat binnen een bepaalde periode. Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen de eerste hervatting (lichtgrijze lijn), 50% hervatting (zwarte lijn) en volledige werkhervatting (grijze lijn). Rond iedere lijn zijn met stippellijntjes de onzekerheidsmarges (95%-betrouwbaarheidsinterval) weergegeven.

Figuur.

Figuur.

Deze grafieken geven de uitstroom per maand door volledige werkhervatting weer. Na 2 maanden is 24% van de verzuimenden met CAS-code N100 volledig aan het werk, na 3 maanden is dit opgelopen tot ongeveer 45%, maar na een jaar is ongeveer 6% nog niet volledig aan het werk. Van de verzuimende met CAS-code H639 is 20% na 2 maanden en 40% na 3 maanden weer volledig aan het werk. Na 1 jaar is 15% nog niet volledig aan het werk.

Kengetallen Duizeligheid en draaierigheid

 Aantal weken totAantal weken totAantal weken
 eerste hervatting50% hervattingverzuim
Gemiddeld 8,56 12,21 19,82
Percentiel 25 1 5 9
Mediaan 5 8 14
Percentiel 75 11 15 22
Valid N 613 635 811

Kengetallen Vestibulaire functiestoornis

 Aantal weken totAantal weken totAantal weken
 eerste hervatting50% hervattingverzuim
Gemiddeld 12,23 16,17 29,25
Percentiel 25 1 6 9
Mediaan 6 9 15
Percentiel 75 14 18 34
Valid N 295 319 395

N.B. De verzuimduren hebben betrekking op verzuimgevallen van 43 dagen en langer.

De tabel met kengetallen geeft het gemiddelde aantal weken tot de werkhervatting weer. Bovendien is het 25e percentiel, de mediaan en het 75e percentiel gegeven. Deze geven respectievelijk aan na hoeveel weken 25% van de werknemers met de betreffende aandoening het werk heeft hervat, 50% het werk heeft hervat en 75% het werk heeft hervat. Er kan een verschil zijn tussen de N in de eerste, tweede en derde kolom omdat niet bij alle verzuimen er eerst een gedeeltelijke hervatting heeft plaatsgevonden of de datum daarvan onbekend is.

In 2006 en 2007 waren er 221 WIA-aanvragen met CAS-codes N100 en H639. In 52% van de gevallen werd de aanvraag afgewezen, en in 48% toegewezen. In 8,0% van de gevallen werd een uitkering toegewezen op basis van een volledige arbeidsongeschiktheid (IVA).

 AantalTotaalPercAantalTotaalPerc
Omschrijving2006200620062007Totaal 20072007
Afwijzing aanvraag WIA, < 35% AO of geschikt eigen werk 42 11.516 0,2 47 11.185 0,2
Afwijzing aanvraag WIA, herstel 1 1.266 0 3 1.050 0,1
Afwijzing aanvraag WIA, overige redenen 2 1.286 0,1 4 1.980 0,1
Afwijzing aanvraag WIA, overleden of 65 jaar geworden   7     6  
Afwijzing aanvraag WIA, reden (nog) onbekend 10 3.240 0,2 5 2413 0,1
Toewijzing IVA 7 3.795 0,1 11 4.388 0,1
Toewijzing WGA 22 5.306 0,2 17 5.768 0,1
Toewijzing WGA volledig AO 27 8.906 0,2 23 10.464 0,1
Totaal (N100, H639) 111 35.322 0,2 110 37.254 0,1

6. Preventie

Primaire preventie

Bij bovenste luchtweginfecties is de kans op barotrauma verhoogd bij duikers en luchtvaartpersoneel.

Secundaire preventie

PAGO/PMO-indicatie: geen specifieke indicatie voor een PMO duizeligheid, wel bij gehoorproblemen.

Tertiaire preventie

Voorkom blootstelling aan ototoxische stoffen.

Literatuur

1. Verheij AAA, Weert HCPM Van, Lubbers WJ, et al. NHG standaard duizeligheid M75. Utrecht: NHG, 2002.
2. Broek P van de, Feenstra L. Zakboek Keel-, neus-, en oorheelkunde. Leuven: Acco, 2007.
3. Dreschler WA, Dijk FJH van, Kortschot HW. Slechthorendheid en duizeligheid In: Willems JHBM, Croon NHTh, Koten JW (red.), Handboek Arbeid en Belastbaarheid. Houten: Bohn, Stafleu van Loghum, 2007.
4. Merck Manual. http://www.artsennet.nl/uli/?uli=AMGATE_6059_1_TICH_L153838090, zoekwoord vertigo.
5. MDA: www.mdainternet.com: zoekwoord vertigo.
6. www.kno.nl/voorlichting/duizeligheid.
7. Loenen AC van, Koten JW. Geneesmiddelengebruik. In: Willems JHBM, Croon NHTh, Koten JW (red.), Handboek Arbeid en Belastbaarheid. Houten: Bohn, Stafleu van Loghum, 2003.
8. www.beroepsziekten.nl.
9. CBR medische afdeling. Regeling eisen geschiktheid 2000:http://rijbewijs.cbr.nl/pdf/Regeling%2520eisen%2520geschikt%25202000.pdf.
10. Inspectie verkeer en waterstaat. Regeling geneeskundig onderzoek vaarbewijzen binnenvaart:http://www.ivw.nl/Images/Keuringseisen%2520binnenvaart_tcm247-206756.pdf.
11. Farmacotherapeutisch Kompas. www.farmacotherapeutischkompas.nl, zoekwoord duizeligheid.

BIJLAGE

Provocatieproef van Dix-Hallpike om de diagnose BPDD aan te tonen

De patiënt zit op een onderzoeksbank. Draai het hoofd van de patiënt 45° naar rechts of links en laat de patiënt snel op de rug gaan liggen, terwijl zijn hoofd over de bank afhangt. Na een korte tijd zal een rotatoire nystagmus ontstaan die gepaard gaat met duizeligheid. Zodra de duizeligheid stopt, laat men de patiënt weer snel rechtop zitten. Dan kan weer duizeligheid ontstaan. Herhaal de proef enkele keren om te kijken of de klachten uitputbaar zijn.

   

Terug    Tip-een-vriend!    Naar boven