Epilepsie

Samenvatting

Epilepsie is de benaming van een ziektebeeld waarbij spontane – niet-geprovoceerde – aanvallen/toevallen/insulten van neurologische aard voorkomen. Indien deze aanvallen tweemaal binnen een periode van een jaar vóórkomen, wordt gesproken van epilepsie. De aard van de aanvallen kan zeer verschillend zijn. Van nauwelijks opmerkbaar – absences – tot indrukwekkende aanvallen – ‘grand mal’. Behandeling is meestal medicamenteus en gericht op onderdrukken van de abnormale hersenactiviteit die de aanvallen veroorzaakt.

Bij de begeleiding van werknemers met epilepsie moeten deze grote onderlinge verschillen goed in acht genomen worden. Zeker bij ingrijpende beslissingen rond arbeid van betrokkenen is een zeer goede inventarisatie van de aard van de aanvallen en het daarbij horende risico van belang. Daarnaast zijn er voor epileptici bepaalde (relatieve) beperkingen in het werk als gevolg van wettelijke veiligheidseisen die gelden voor een aantal beroepen. In Nederland zijn er in beroepsbevolking (16-64-jarigen) jaarlijks circa 4000 nieuwe gevallen van epilepsie.

Algemeen

  • CAS-code: N605 – epilepsie

  • ICD-10-codes: G40 – epilepsie; G41 – status epilepticus

1. Diagnose en behandeling

1.1. Definitie 1

Epilepsie is één van de meest frequent voorkomende chronische neurologische aandoeningen in Nederland.

Kenmerkend zijn de spontane (niet-geprovoceerde) epileptische aanvallen (toevallen, insulten). We spreken van epilepsie als de aanvallen zich, zonder duidelijke reden, ten minste tweemaal binnen een jaar hebben voorgedaan. De klinische verschijnselen bestaan uit voorbijgaande abnormale verschijnselen die kunnen bestaan uit: bewustzijnsveranderingen, motorische, sensibele, autonome en/of psychische verschijnselen.

De aanvallen worden veroorzaakt door een verstoring van de normale functie van de hersenen: er ontstaat abnormale elektrische activiteit. Epileptische aanvallen kunnen een breed scala aan achterliggende oorzaken hebben. De sterke onvoorspelbaarheid van het moment van het optreden van de aanvallen is een belangrijk kenmerk van de ziekte.

Epileptische aanvallen kunnen sterk verschillen in ernst en frequentie Sommige patiënten hebben tientallen aanvallen per dag; andere hebben slechts zelden een aanval. Lang niet altijd zal een patiënt met epileptische aanvallen ook vallen: de term ‘vallende ziekte’ voor epilepsie is dus eigenlijk onjuist. Soms is de aanval zo subtiel dat men deze gemakkelijk over het hoofd ziet. In een ander geval kan de aanval zo hevig zijn dat de niet-ingewijde toeschouwer zal denken dat de patiënt doodgaat. Er zijn dan ook patiënten die regelmatig gewond raken bij een aanval. Voor patiënten met chronisch recidiverende aanvallen is de ziekte zeer ingrijpend.

Er zijn twee soorten aanvallen:

  • Partiële aanvallen (±70%): zo genoemd omdat ze in een bepaald deel van de hersenen plaatsvinden. Dit zijn meestal lichte aanvallen, waarbij men niet buiten bewustzijn raakt.

  • Gegeneraliseerde aanvallen (±30%): hierbij doen alle delen van de hersenen mee. Er treedt bewusteloosheid op (deze is soms zeer kortdurend).

1.2. Diagnostiek

Een nauwkeurige classificatie van de aanval is nodig omdat sommige typen aanvallen kunnen voorkomen bij meerdere vormen van epilepsie dan wel epileptische syndromen.

Het onderscheid tussen de verschillende typen epilepsie en enkele specifieke syndromen is nodig voor de keuze van de juiste behandeling en het vaststellen van de meest waarschijnlijke prognose.

Anamnese 2

De diagnose en classificatie van een epileptische aanval dienen in de eerste plaats te worden gesteld op grond van, liefst herhaalde, observationele en heteroanamnestische beschrijvingen. Videoregistratie kan een goed hulpmiddel zijn, waarbij ook gebruikgemaakt kan worden van zelfgemaakte video-opnames.

Tijdens de anamnese wordt gevraagd naar:

  • Omschrijving aanval: bewustzijn, motoriek, kleur, apneu (ademstilstand), incontinentie, tongbeet, luxerend moment, prodromale verschijnselen, aura. 1 Begin, duur, frequentie. Alcohol, druggebruik. Medicatie. Verwondingen tijdens insult. Postictale (na de aanval) desoriëntatie. Koorts.

  • Voorgeschiedenis: eerdere aanvallen, beginleeftijd. Familieanamnese met betrekking tot epilepsie.

  • Lichamelijk onderzoek: algemene indruk, bewustzijn. Kleur, petechiën (huidbloedinkjes), meningeale prikkeling. Tongbeet. Neurologisch onderzoek (m.n. letten op uitvalsverschijnselen). Algemeen lichamelijk onderzoek.

Indien mogelijk worden de epilepsie en de epileptische aanvallen langs vijf assen geclassificeerd 1de beschrijving van de aanval, de classificatie van het aanvalstype, het epilepsiesyndroom, de etiologie, en de beperkingen (‘impairment’) die de patiënt vanwege de epilepsie ondervindt. Dit laatste is optioneel en betreft de beperkingen volgens de ICIDH-2 van de WHO.

  • Beschrijving van de aanvallen (as 1): 8,9 De beschrijving van de aanval (ictale semiologie) dient zo veel mogelijk opgesteld te worden met gebruikmaking van gestandaardiseerde terminologie om verwarring tussen hulpverleners onderling te vermijden. Een begrippenlijst is gepubliceerd onder auspiciën van de ILAE (International League Against Epilepsy).

  • Classificatie epileptische aanvallen (as 2): Het type aanval zal meestal worden bepaald op grond van de beschrijving van de aanval, soms aangevuld met bij voorbeeld EEG-bevindingen (zoals bij typische absences) (zie tabel 1).

  • Classificatie epilepsiesyndromen (as 3): Op basis van het type aanval, etiologie, leeftijd, de bevindingen bij EEG-onderzoek, de resultaten van beeldvormende techniek en de familieanamnese wordt het epilepsiesyndroom vastgesteld (zie tabel 2).

  • Classificatie etiologie (as 4): De etiologie wordt als volgt geclassificeerd:

    • Acuut symptomatisch (‘acute symptomatic’): aanvallen veroorzaakt door een acute endogene of exogene oorzaak. Wanneer er uitsluitend sprake is van acuut symptomatische aanvallen, dan is dat geen ‘epilepsie’.

    • Laat symptomatisch (‘remote symptomatic’): veroorzaakt door een al langer bestaande onderliggende structurele hersenafwijking. Als minimaal tijdsinterval wordt een week aangehouden.

    • Waarschijnlijk symptomatisch (‘probably symptomatic’): waarschijnlijk is er wel sprake van een onderliggende oorzaak maar deze is niet aangetoond. Deze term komt in de plaats van cryptogeen.

    • Idiopathisch (‘idiopathic’): voornamelijk genetisch bepaald en leeftijdsafhankelijk.

  • Classificatie beperking (as 5): Voor vaststelling van de mate van beperking door de epilepsie voor de patiënt is voorgesteld gebruik te maken van de ICIDH van de WHO. Een voorstel voor een schaal die specifiek is voor epilepsie en epileptische aanvallen is in voorbereiding.

  • Cave: Bij een status epilepticus herhalen de aanvallen zich zonder dat het bewustzijn terugkeert. Dit is een levensbedreigende situatie waarbij directe behandeling noodzakelijk is. In de praktijk zal men bij gegeneraliseerde convulsieve aanvallen die langer duren dan 5 minuten, of bij twee of meer kleinere aanvallen waartussen het bewustzijn niet volledig herstelt, de aanval(len) direct willen couperen.

Tabel 1. Classificatie epileptische aanvallen

Partiële aanvallen
  • Eenvoudige partiële aanval

  • Motorische, sensorische of autonome verschijnselen

  • Hogere functie/psychische verschijnselen

  • Complex partiële aanval

  • Partieel overgaand in gegeneraliseerd

Gegeneraliseerde aanvallen
  • Absences (kortdurende bewustzijnsdaling, staren en soms ritmisch oog knipperen)

  • Myoklonische aanvallen (kortdurend abrupte snelle spiercontracties/schokjes)

  • Klonische aanvallen

  • Tonische aanvallen

  • Tonisch-klonische aanvallen (acute bewusteloosheid en achtereenvolgens een tonische en klonische fase)

  • Atone of valaanvallen

Niet-geclassificeerde aanvallen

N.B. Het ene aanvalstype kan overgaan in een ander aanvalstype.

Tabel 2. Classificatie epilepsiesyndromen (voor details zie Richtlijn Epilepsie van de Nederlandse Vereniging voor Neurologie)

1Lokalisatiegebonden vormen van epilepsie
1.1Idiopathisch
1.2Symptomatisch
1.3Waarschijnlijk symptomatisch (cryptogeen)
2Gegeneraliseerde vormen van epilepsie
2.1Idiopathisch (leeftijdsgebonden)
2.2Waarschijnlijk symptomatisch (cryptogeen) en/of laat-symptomatisch
2.3Symptomatisch
3Epilepsie waarvan gegeneraliseerde of lokalisatiegebonden aard niet bepaald is
3.1Met zowel gegeneraliseerde als focale aanvalstypes
3.2Aanvalstypes niet te classificeren op grond van gegeneraliseerde of focale kenmerken (klinisch noch met behulp van het EEG)
4Speciale syndromen (hier is geen sprake van diagnose epilepsie)
4.1.1Situatiegebonden aanvallen (zoals door koorts of acute metabole stoornis of intoxicaties)
4.1.2Koortsconvulsies
4.1.3Aanvallen die uitsluitend optreden tijdens een acute metabole stoornis of intoxicatie
4.1.4Andere situatie gebonden aanvallen
4.2Geïsoleerde aanvallen of geïsoleerde status epilepticus

De onvoorspelbaarheid van het optreden van de aanvallen kan een zware psychische belasting vormen voor de patiënt en zijn omgeving. Bovendien is het vaak de reden voor beperkingen in het dagelijks leven, zoals in het werk, bij het autorijden, en bij het uitoefenen van bepaalde sporten.

Aanvullend onderzoek

EEG 3

Het standaard EEG, eventueel aangevuld met kortdurende slaapregistraties, vormt nog steeds het meest geschikte technische onderzoek dat specifiek epileptiforme afwijkingen kan laten zien. Het is goedkoop, niet invasief en vrijwel risicoloos. Het EEG is onmisbaar voor de identificatie van het epilepsiesyndroom.

  • Test: elektro-encefalografie (EEG), bij voorkeur <24 uur na een aanval. Een normaal interictaal EEG sluit de diagnose epilepsie niet uit. De sensitiviteit daalt van 53% op de dag van het doorgemaakt insult naar 42% in de daarop volgende week.

  • Test: EEG-registratie met provocatie middels slaapdeprivatie, hyperventilatie of lichtflitsprikkeling

  • Test: 24-uurs EEG met videoregistratie. EEG-monitoring met simultane videomonitoring heeft een specifiek indicatiegebied: bij aanvallen waarvan de diagnose onduidelijk is, kwantificeren van epileptische aanvallen en neuropsychologische functiestoornissen tijdens (subtiele) epileptische aanvallen.

Bij 30 tot 50% van de patiënten met de klinische diagnose epilepsie levert het eerste EEG epileptiforme afwijkingen op. Herhaalde onderzoeken vergroten de kans op het vinden van epileptiforme afwijkingen. Bij strikt gezonde kandidaten (bijvoorbeeld bij keuring voor een vliegbrevet) worden bij 0,5% epileptiforme afwijkingen gevonden.

MRI/CT

MRI-hersenen, CT-hersenen. MRI is het meest gevoelige onderzoek; met name laesies in de temporale kwab zijn met CT moeilijk op te sporen. CT is geschikt voor het snel uitsluiten van acute (levens)bedreigende pathologie, zoals een intracraniaal hematoom.

Ander aanvullend onderzoek
  • Cardiologisch onderzoek – bij aanvallen van een onduidelijke origine is het zinvol een verwijzing naar de cardioloog te overwegen.

  • Bloedonderzoek direct na een epileptische aanval wordt veelal gedaan ter uitsluiting van een onderliggende metabole stoornis.

  • Neuropsychologisch onderzoek – persisterende cognitieve klachten zoals geheugenstoornissen, concentratiestoornissen en leerproblemen kunnen evenals veranderingen in niveau van functioneren, schoolproblematiek, stemmingsstoornissen en dergelijke een indicatie vormen voor neuropsychologisch onderzoek.

  • Genetisch onderzoek – in speciale gevallen (bij positieve familieanamnese, aangeboren afwijkingen, enz.)

Differentiaaldiagnose

Collaps, hypoglykemie, transient ischemic attack, slaapstoornis (narcolepsie, hypersomnie, nachtmerries), migraine, Ménière-aanval, psychogene aanvallen: episodes met plotseling veranderd gedrag, vaak met verlies van contact met de buitenwereld. De verschijningsvorm kan zó op een epileptische aanval lijken dat vaak van pseudo-epileptische aanvallen wordt gesproken. Andere termen zijn: hysterische aanvallen (vanuit psychoanalytisch denkkader), spanningsaanvallen (vanuit behavioristisch denkkader), psychogene aanvallen (vanuit klinisch-psychiatrisch denkkader) of pseudo(-epileptische) aanvallen. De term ‘psychogene, niet-epileptische aanvallen’ (pnea) lijkt geaccepteerd te worden als meest neutrale, duidelijke beschrijving.

Specifiek bij jonge kinderen: breath-holding spell, voedingsstuipen.

1.3. Behandelplan

Medicamenteus

De meeste patiënten met epilepsie zullen met een medicamenteuze onderdrukking van de aanvallen worden behandeld. Bij de keuze van een anti-epilepticum wordt bij voorkeur uitgegaan van het epilepsiesyndroom en als dat niet mogelijk is van het type epilepsieaanval(len). De keuze van een anti-epilepticum wordt daarnaast bepaald door de te verwachten effectiviteit en het bijwerkingen profiel. Individuele factoren en omstandigheden geven daarbij de doorslag. Carbamazepine, lamotrigine, natriumvalproaat, en oxcarbazepine (alfabetische volgorde) zijn te beschouwen als eerstekeusmiddelen.

Het onderkennen en zo mogelijk voorkómen van bijwerkingen van anti-epileptica is een belangrijk aspect van de behandeling van epilepsie. De individuele gevoeligheid voor bijwerkingen wordt bepaald door een combinatie van factoren, waardoor de extrapolatie van algemene onderzoeksgegevens naar een individuele patiënt erg moeilijk is.

Bij het Nationaal Epilepsie Fonds kan de brochure ‘Epilepsie en medicijnen’ worden verkregen.

Bij iedere patiënt die twee jaar aanvalsvrij is en daarvoor in aanmerking komt, dient de mogelijkheid van staken van de medicatie met de patiënt besproken te worden. Ook bij doorbehandelen blijft er een kans op een recidief aanval, ook al is de patiënt al langere tijd aanvalsvrij. 1

Andere vormen van behandeling

Chirurgie

Wanneer een patiënt onvoldoende op medicamenteuze therapie reageert, dient men epilepsiechirurgie te overwegen. Bij volwassenen gaat men uit van een behandelingsduur van twee jaar of falen van drie anti-epileptica. Bij kinderen kan deze termijn te lang zijn, zeker bij epilepsiesyndromen met een ongunstige prognose. Ongeveer 5% van de farmacoresistente patiënten komt in aanmerking voor epilepsiechirurgie.

In Nederland worden 50-100 mensen per jaar geopereerd, met over het algemeen goed resultaat. Voor het ondergaan van een screening voor epilepsiechirurgie dient de patiënt te worden verwezen naar de Landelijke Werkgroep voor Epilepsiechirurgie.

Dieet

Bij kinderen tussen 1 en 16 jaar met een medicamenteus therapieresistente epilepsie kan een ketogeen dieet als alternatieve behandeling worden overwogen.

Nervus vagus stimulator

Bij medicamenteus moeilijke instelbare epilepsie kan nervus vagusstimulatie een werkzaam alternatief zijn, zeker in die gevallen waar epilepsiechirurgie niet mogelijk is. De effectiviteit is globaal vergelijkbaar met de effectiviteit van het toevoegen van een nieuw anti-epilepticum. 1

(Preventieve) adviezen (leefstijl)

Bij het voorschrijven van leefregels worden zo min mogelijk beperkingen opgelegd die worden gebaseerd op de inschatting van het individuele risico op ongevallen door een aanval. Daarnaast kan het vermijden van mogelijke provocatieve omstandigheden een rol spelen. Het is een taak van de behandelaar dit in te schatten. De patiënt bepaalt zelf welke risico’s hij verantwoord acht. De arts informeert de patiënt over zijn individuele risicoprofiel.

Er bestaat een redelijke consensus over rationele beperkingen bij (actieve) epilepsie.

Beperkingen worden meestal geadviseerd voor baden, zwemmen, klimmen en fietsen. Beperkingen van de dagelijkse activiteiten in huis zijn meestal niet nodig, tenzij bij riskante vormen van epilepsie.

Patiënten met epilepsie zijn gedeeltelijk in staat hun aanvallen te voorspellen. Uit een onderzoek onder 71 patiënten bleek 32% van de aanvallen juist voorspeld (57 patiënten kregen een aanval gedurende het onderzoek) en voorzag men 83% van de aanvalsvrije dagen juist. 4 Dit kan een mogelijkheid zijn om patiënten meer zekerheid te verschaffen en de kwaliteit van leven te verbeteren.

1.4. Prognose medisch herstel

Spontaan verloop aandoening

Een aantal vormen van epilepsie is leeftijdsgebonden. Zij komen in een bepaalde leeftijdsperiode voor en verdwijnen na een aantal jaren weer spontaan.

Ongeveer 30% van de patiënten met hevige aanvallen (begonnen op kinderleeftijd) wordt nooit aanvalsvrij. In de Verenigde Staten is de prevalentie van therapieresistente epilepsie ongeveer 1 per 1000. Ongeveer 60-70% is binnen 10 jaar na het stellen van de diagnose 5 of meer jaren aanvalsvrij. De helft hiervan is blijvend aanvalsvrij.

De prognose is meestal beter indien de aanvallen met één medicijn onder controle zijn te houden, bij een normaal EEG en neurologisch onderzoek.

Bij 20-30% van de patiënten blijkt de epilepsie moeilijk instelbaar te zijn. Bij al deze patiënten dient men zich af te vragen of de diagnose epilepsie klopt, of de classificatie van de epilepsieaanvallen of het epilepsiesyndroom juist is, of de patiënt optimaal medicamenteus behandeld is geweest en of hij/zij in aanmerking komt voor epilepsiechirurgie.

Vormen die veroorzaakt worden door aanleg, een ziekte of een hersenbeschadiging, verdwijnen niet spontaan. De genezing is afhankelijk van het resultaat van de behandeling.

1.5. Belemmeringen medisch herstel

Met name chronische recidiverende aanvallen zijn zeer belastend. De patiënten lijden niet alleen onder de aanvallen, maar hebben soms ook gedragsproblemen, intellectuele problemen (geheugen), fysisch-neurologische afwijkingen en psychische stoornissen (depressie, psychose). Onderzoek onder een groep van 210 polipatiënten naar ‘kwaliteit van leven’ liet zien dat psychisch onwelbevinden, eenzaamheid, aanpassing en coping en omgaan met het stigma epilepsie significant meer bijdroegen aan het onwelbevinden dan de klinische verschijnselen. 5

Comorbiditeit

Vertraagd herstel door:

  • geen optimale behandeling van ‘oorzakelijke’ factoren;

  • hersenbeschadiging, leverziekten, aangeboren hersenafwijkingen, complicatie door nierziekte.

Complicaties

Vertraagd herstel door:

  • dit is zeer afhankelijk van de aanvallen; status epilepticus, verwonding door vallen, tongbeet, verwondingen ontstaan tijdens autorijden of werken met machines, aspiratiepneumonie, hersenbeschadiging, leerbeperkingen.

Werkfactoren

Zie paragraaf 2.5.

2. Re-integratie

2.1. Diagnostiek arbeidsmogelijkheden

De arbeidsmogelijkheden van een patiënt met epilepsie zijn in grote mate afhankelijk van de aard van de aanvallen en het resultaat van de behandeling en de instelling op medicijnen. 70% is met medicatie aanvalsvrij, behoudens speciale beroepen gelden hier geen duidelijk omschreven beperkingen (zie par. 2.2).

Daarnaast is het zo dat epilepsie in de overgrote meerderheid van de gevallen al optreedt voordat iemand tot de arbeidsmarkt toetreedt – vaak zelfs nog voor een opleiding wordt begonnen – zodat bij de beroepskeuze al met arbeidsmogelijkheden rekening gehouden wordt.

Indien nog aanvallen optreden, moet de invloed van epilepsie, aanvallen en medicatie bekeken worden met betrekking tot de arbeidsmogelijkheden. Informatie over de volgende aspecten is absoluut noodzakelijk:

  • wanneer heeft iemand aanvallen;

  • frequentie van de aanvallen;

  • voelt iemand een aanval aankomen;

  • hoeveel tijd heeft iemand tussen het voorgevoel en de aanval;

  • hoe ziet een aanval eruit (aanvalsbeschrijving);

  • duur van de aanval;

  • provocerende factoren;

  • hoe is iemand postictaal;

  • heeft iemand zich wel eens bezeerd tijdens een aanval.

De bedrijfsarts bespreekt samen met de werknemer de specifieke taken en vormt op basis daarvan een oordeel over de belastbaarheid van betrokkene in relatie met de belasting in de werksituatie. In specifieke gevallen kan een NPO (neuropsychologisch onderzoek) aangeven waar problemen zijn met cognitief functioneren.

Meestal is betrokkene niet in staat alle relevante gegevens te verschaffen. Raadzaam is (na schriftelijke toestemming van betrokkene) de behandelend specialist te raadplegen.

In gecompliceerde gevallen kan een expert met gerichte vraagstelling bij een gespecialiseerd centrum helpen (zie adressenlijst aan het eind van dit lemma).

Bij het bepalen van de mogelijkheden kan gebruikgemaakt worden van de beslisboom.

Figuur.

Werkplekonderzoek: bij specifieke vormen van epilepsie kan een werkplekonderzoek zinvol zijn om te onderzoeken of uitlokkende factoren (bijv. lichtflitsen) vermeden kunnen worden. Ook kan bij een werkplekonderzoek gekeken worden naar veiligheidsaspecten. Meestal zijn de normale verplichtingen tot beveiligen van werkplek en machines echter voldoende.

Opmerkingen

Solliciteren: Over het algemeen wordt zowel door professionals als door patiëntenverenigingen afgeraden bij sollicitatie te spreken over het hebben van epilepsie. Mocht het toch ter sprake komen (bijv. bij een vraag over het rijbewijs), dan wordt de sollicitant geadviseerd de waarheid te spreken.

Bij het spreken over epilepsie gelden vier vuistregels:

  • bespreek alleen de eigen ziekte en aanvallen;

  • breng de informatie op positieve wijze, schrik de werkgever niet af;

  • vertel hoe uw aanvallen verlopen;

  • vertel welke hulp u nodig heeft.

Indien de sollicitant/werknemer contact heeft met de bedrijfsarts wordt de sollicitant/werknemer wel geadviseerd de juiste diagnose en klachten te beschrijven. De bedrijfsarts kan namelijk hulp en ondersteuning bieden bij inlichten van werkgever en collega’s zodat problemen in de toekomst voorkomen kunnen worden.

De patiënt zelf beslist uiteindelijk wat hij vertelt. De arts geeft de juiste voorlichting over de beperkingen en de risico’s.

2.2. Functionele mogelijkheden

De beperkingen/mogelijkheden bij epilepsie laten zich niet goed vertalen in de Functionele Mogelijkheden Lijst (FML). Ze zijn zeer wisselend en afhankelijk van soort en frequentie van aanvallen.

Er bestaat een redelijke consensus over rationele beperkingen bij (actieve) epilepsie.

Beperkingen worden meestal geadviseerd voor baden, zwemmen, klimmen en fietsen.

Op voorhand zijn bij een aantal vormen van epilepsie een aantal beroepen uitgesloten:

  • beroepen in de transportsector (wegvervoer, spoorwegen, luchtvaart);

  • beroepen met specifieke veiligheidseisen: brandweer, politie, justitie, duikers, enzovoort.

Een aanstellingskeuring – uitgevoerd volgens de richtlijnen aanstellingskeuringen – zal altijd deel uitmaken van een aanstelling in een dergelijk beroep. 6 Epilepsie kan een absolute contra-indicatie zijn, maar rekening dient gehouden te worden met de soort en mate van de aanvallen.

Wettelijke eisen zijn vastgelegd door het CBR. De belangrijkste zijn:

  • gewoon rijbewijs: na één aanval een aanvalsvrije periode van 6 maanden en bij bewezen epilepsie een aanvalsvrije periode van 12 maanden vereist;

  • C (vrachtwagen), D (bus): eerste aanval > 4e levensjaar: blijvend ongeschikt.

In bijzondere gevallen is de ongeschiktheid na een periode zonder aanvallen op te heffen.

Voor uitgebreide informatie voor regelgeving spoor, weg en watervervoer en luchtvaart zie de website van de Inspectie Verkeer en Waterstaat.

2.3. Re-integratie plan

Er zijn meestal niet zulke zware beperkingen dat het eigen/ander werk niet hervat kan worden. (Voor)oordelen bij collega’s en werkgever dienen weggenomen te worden. Werkgevers vrezen nogal eens dat aanvallen leiden tot meer ziekteverzuim, terwijl zij tevens bang zijn dat deze, wanneer ze optreden op de werkvloer, zullen leiden tot ongelukken en arbeidsonrust, met als gevolg minimaal een vermindering van de productie. Hiervoor is geen bewijs gevonden. Wanneer aanvallen in de werksituatie optreden, is het van belang dat de werknemer hiermee goed omgaat. Dit betekent dat wanneer een aura zich voordoet, men hieruit de noodzakelijk consequenties trekt en zich verwijdert van machines en dergelijke. Heeft betrokkene geen aura, dan zal bij de beroepskeuze dit extra risico moeten worden verdisconteerd.

Het is verstandig ervoor te zorgen dat collega’s op de hoogte zijn van mogelijke aanvallen en dat zij weten hoe bij een aanval te handelen (zie bijlage 1).

Persoonsgerichte adviezen

  • Optimaliseren mogelijkheden tot functioneren: optimale medicatie-instelling;

  • Coping en omgaan met: het is van belang om te leren omgaan met epilepsie (het accepteren van de mogelijkheden die er naast de ziekte zijn, zodat er geen vermijdingsgedrag ontstaat in het sociale leven en in het werk);

  • Verwijzing naar een epilepsiecentrum voor optimale begeleiding van privé-, sociale en werksituaties.

Werkgerichte adviezen

  • Indien er aanvallen (blijven) bestaan, moet men de gevolgen hiervan afwegen tegen de functie-eisen. Als er geen consequenties zijn van een aanval tijdens de huidige functie op de huidige werkplek, kan betrokkene het werk blijven verrichten.

  • Een werkplekonderzoek om risico op letsel tijdens een aanval te beoordelen en een gericht advies om letsel te voorkomen kan werkhervatting bevorderen (bijv. een aangepaste stoel met armleuningen om vallen te voorkomen).

  • Niet meteen een definitieve beperking opleggen, maar open blijven staan en de tijd nemen voor de toekomstige mogelijkheden. Indien medicatie de aanvallen doet verdwijnen, zijn er meestal geen beperkingen meer.

  • Er kan vaak gestart worden met aangepast werk.

  • Indien het werk niet aan te passen is aan specifieke veiligheidseisen, of wanneer er wettelijke beperkingen zijn, zal al snel na het stellen van de diagnose naar ander werk gezocht moeten worden. In voorkomende gevallen kan vervroegde melding bij UWV overwogen worden om snel de nodige hulp bij het zoeken naar ander werk/opleiding te organiseren.

2.4. Prognose herstel belastbaarheid

Na een ‘grand mal’-aanval heeft de patiënt vaak 1-2 dagen last van spierpijnklachten en moeheidverschijnselen. Ook kan men last hebben van bijkomende verwondingen. Meestal is dit een kwestie van dagen tot 1-2 weken.

Daarnaast geldt met betrekking tot werkhervattingen in een beperkt aantal gevallen wettelijk vastgestelde termijnen (bijv. voor autorijden).

Voor de andere situaties zal de bedrijfsarts – soms in overleg met de behandelende neuroloog – steeds in overleg met de patiënt de mogelijkheden en risico’s dienen af te wegen. Van belang daarbij zijn:

  • medicatie-instelling;

  • zijn aanpassingen in de functie of op de werkplek mogelijk;

  • woon-werkafstand en de mogelijkheden voor vervoer naar en van het werk;

  • acceptatie van de diagnose;

  • sociale ondersteuning op het werk.

Naast beperkingen in de werksituatie zijn er ook beperkingen in de privésituatie en in het algemeen dagelijks leven. Het is goed daar met betrokkene bij stil te staan zodat werk en privé niet tegenstrijdige beperkingen geven.

2.5. Belemmeringen herstel belastbaarheid/werkhervatting

Werkgebonden belemmeringen

  • Het werk is niet aan te passen aan specifieke veiligheidseisen.

  • Wettelijke beperkingen.

Medische belemmeringen

Zie paragraaf 1.5.

3. Epidemiologie 7

Epilepsie

 ManVrouwTotaal
Incidentie 15-64 jaar per 1000* 0,31 0,44 0,37
Prevalentie 15-64 jaar per 1000* 4,20 4,01 4,11
WAO-instroom 2002 (% totaal) 169 (0,4%) 81 (0,2%) 250 (0,3%)
Beroepsziekten 2005 (% totaal)

* Bewerkte gegevens van het RIVM. 7

Op basis van de ILAE-classificatie van vormen van epilepsie en epileptische syndromen was de verdeling voor patiënten met actieve epilepsie, inclusief speciale syndromen, als volgt: 69% gelokaliseerde epilepsie (daarbij ontstaat de aanval vanuit één hersenhelft), 6% gegeneraliseerde epilepsie (twee hersenhelften zijn bij de aanval betrokken), 8% niet te classificeren epilepsie, 18% een eenmalige aanval.

Het aantal nieuwe gevallen van epilepsie (incidentie) wordt geschat op 47 tot 54 per 100.000 mensen per jaar. In Nederland werd een incidentie gevonden van 30 per 100.000 mensen van 14 jaar of ouder. Voor Nederland betekent dit jaarlijks 5000 tot 8100 nieuwe ziektegevallen.

Voor de beroepsbevolking met een incidentie van 37 per 100.000 betekent dit jaarlijks ca. 4000 nieuwe gevallen met epilepsie.

De incidentie is relatief hoog op de kinderleeftijd, neemt dan af en stijgt weer op hogere leeftijd; 70% begint voor het 20e levensjaar. Men verwacht in de toekomst een afname van het aantal nieuwe ziektegevallen op de kinderleeftijd en een toename op hogere leeftijd.

Naar schatting maakt ongeveer 5% van de bevolking op enig moment in zijn leven een insult door. Daarnaast maakt ongeveer 3-4% van de kinderen ooit een koortsconvulsie door. De prevalentie van ‘actieve’ epilepsie (behandeld met anti-epileptica vanwege een vorm van epilepsie) wordt geschat op 5 per 1000. Voor Nederland betekent dit, dat op enig moment meer dan 80.000 mensen behandeld worden voor epilepsie. 1

4. Verwijzen en samenwerken

4.1. Consultatie, verwijzingen of delegeren van begeleiding

Consultatie van of verwijzing naar de bedrijfsarts vindt plaats bij:

  • specifiek werksituatiegerelateerde problemen zoals onvoldoende re-integratiemogelijkheden na het stellen van de diagnose epilepsie.

Consultatie van of verwijzing naar de huisarts vindt plaats bij:

  • differentieeldiagnostische twijfel aan de diagnose of een vermoeden van (een verband met) comorbiditeit;

  • problemen die betrekking hebben op de privé-situatie zoals psychosociale problemen, samenhangend met de diagnose epilepsie.

Overleg tussen huisarts en bedrijfsarts vindt plaats bij:

  • informatie van de patiënt waaruit blijkt dat er mogelijk een verschil van inzicht bestaat tussen beide artsen over diagnostiek en aanpak;

  • arbeidsverzuim langer dan 6 weken of het uitblijven van verbetering ondanks behandeling en interventie.

Bij het uitblijven van verbetering ondanks eerstelijnsbegeleiding kan de patiënt voor meer individuele of toegesneden hulp binnen de eerste lijn worden verwezen.

4.2. Verwijzingen naar de tweede lijn

De huisarts verwijst in principe voor de diagnostiek en behandeling naar de tweede lijn. Bij complexe problematiek of bij problemen waarbij er in de eerste lijn onvoldoende behandelingsmogelijkheden zijn.

Indien er problemen ontstaan met medicatie-instelling, acceptatie van epileptische aanvallen of onduidelijkheid over de gevolgen van een aanval, kan betrokkene verwezen worden naar een van de epilepsiecentra in Nederland.

De bedrijfsarts verwijst bij complexe organisatieproblematiek voor arbeid- en organisatieadvisering of naar multidisciplinaire re-integratieteams. Verwijzing vindt in samenspraak tussen huisarts en bedrijfsarts plaats.

4.3. Indicatie verwijzen (door specialist) naar centrum

Bij twijfel aan de diagnose epilepsie dient men verwijzing voor aanvullende diagnostiek in overweging te nemen.

Wanneer er sprake is van bijkomende problemen zoals psychiatrische stoornissen, leer- en gedragsproblemen, sociale problematiek dient men verwijzing naar een derdelijnsvoorziening te overwegen.

Wanneer een patiënt niet binnen 2 jaar aanvalsvrij is, dient men verwijzing naar een derdelijnsinstelling te overwegen.

5. Verzuimreferentieduren

De referentiegegevens voor de verzuimduur per lemma zijn gebaseerd op verzuimgegevens van vier arbodiensten van verzuimgevallen die in 2004 of in 2005 zijn beëindigd. Omdat in veel gevallen er pas bij 6 weken verzuim een diagnose door een bedrijfsarts is genoteerd hebben we alleen verzuimgevallen die minimaal 43 dagen duren meegenomen. In totaal waren dit 244.995 gevallen. Waarvan 118090 mannen en 126905 vrouwen. Het aantal vrouwen in onze groep ligt dus iets hoger.

In de grafiek met uitstroomcurven is weergegeven welk deel van de verzuimgevallen het werk hervat binnen een bepaalde periode. Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen de eerste hervatting (groene lijn), 50% hervatting (blauwe lijn) en volledige werkhervatting (rode lijn). Rond iedere lijn zijn met stippellijntjes (in dezelfde kleur) de onzekerheidsmarges ( 95%-betrouwbaarheidsinterval)  weergegeven.

De tabel met kengetallen geeft het gemiddelde aantal weken tot de werkhervatting weer. Bovendien is het 25e percentiel, de mediaan en het 75e percentiel gegeven. Deze geven respectievelijk aan na hoeveel weken 25% van de werknemers met de betreffende aandoening het werk heeft hervat, 50% het werk heeft hervat en 75% het werk heeft hervat. Er kan een verschil zijn tussen de steekproefomvang (valid N) in de eerste, tweede en derde kolom omdat niet bij alle verzuimgevallen er eerst een gedeeltelijke hervatting heeft plaatsgevonden of de datum daarvan onbekend is.

Als laatste is aangegeven het % tot de totale gevallen

De laatste grafiek geeft de uitstroom per maand weer voor volledige werkhervatting.

Wia instroom

Voor deze tabel zijn data van het UWV gekregen. U ziet het totale aantal beslissingen dat in 2006 en 2007 is genomen in de betreffende categorie.

Algemene gegevens :

Alle diagnoses gezamenlijk

 Aantal weken tot eerste hervattingAantal weken tot 50% hervattingAantal weken verzuim
Gemiddeld 10,94 15,42 24,39
Percentiel 25 1 6 10
Mediaan 6 10 16
Percentiel 75 13 17 27
Valid N 185.778 195.689 244.995

N.B. De verzuimduren hebben betrekking op verzuimgevallen van 43 dagen en langer.

Figuur.

Ruim 50 % van het verzuim langer dan 6 weken herstelt de eerste 4 maanden, 40 % herstelt in de loop van het eerste ziektejaar en ongeveer 10 % herstelt na 1 jaar.

Figuur.

Figuur.

Epilepsie komt in de spreekkamer van de bedrijfsarts relatief weinig voor. Meestal zal het verzuim kort zijn. In een beperkt aantal gavallen ( 0.18% van alle ziekmeldingen) leid het beeld tot langduriger verzuim met in de meeste gevallen een volledige werkhervatting.

De afgelopen jaren vroegen ongeveer 150 mensen een WIA keuring aan .Bij ongeveer 2/3 van deze groep is ook een uitkering verstrekt. Niet bekend is hoeveel mensen met de diagnose epilepsie in de WAJONG komen.

23 Epilepsie

 Aantal weken tot eerste hervattingAantal weken tot 50% hervattingAantal weken verzuim
Gemiddeld 12,79 17,60 31,29
Percentiel 25 1 5 12
Mediaan 6 11 18
Percentiel 75 14 21 39
Valid N 361 377 460
% totaal 0.18    
   

N.B. De verzuimduren hebben betrekking op verzuimgevallen van 43 dagen en langer.

Mannen 284 vrouwen 176

Omschrijvingaantal 2006Totaal 2006Perc 2006Aantal 2007Totaal 2007Perc 2007
N605 , epilepsie            
toewijzing IVA 15 3795 0,4 16 4388 0,4
toewijzing WGA 16 5306 0,3 18 5768 0,3
toewijzing WGA volledig ao 52 8906 0,6 45 10464 0,4
afwijzing aanvraag WIA, < 35% ao of geschikt eigen werk 45 11516 0,4 44 11185 0,4
afwijzing aanvraag WIA, herstel 2 1266 0,2 2 1050 0,2
afwijzing aanvraag WIA, overleden of 65 jaar geworden   7     6  
afwijzing aanvraag WIA, overige redenen 2 1286 0,2 7 1980 0,4
afwijzing aanvraag WIA, reden (nog) onbekend 16 3240 0,5 17 2413 0,7
  148 35322   149 37254  

6. Preventie

Echte preventie in de zin van het voorkomen van de ziekte epilepsie is niet mogelijk. Wel is het mogelijk te proberen de aanvallen te voorkomen of om te zorgen dat eventuele bijkomende letsels vermeden – of geminimaliseerd worden. Daarnaast is bekend dat goede voeding en voldoende rust en regelmaat de aanvallen mogelijk positief beïnvloeden.

Noten

1.

Een aura is een plaatselijk begin van een aanval, die gepaard gaat met een subjectieve ervaring. De betrokkene krijgt bijvoorbeeld een onbestemd gevoel in de maag of buik; hij hoort, ziet of ruikt vreemde dingen. Een aura kan aanwijzingen geven waar de aanval in de hersenen begint.

Literatuur

1. Richtlijnen Diagnostiek en behandeling van epilepsie. Nederlandse Vereniging voor Neurologie, 2006.
2. Mulder G, Boer HM de. Epilepsie (Handboek arbeid en belastbaarheid). Houten: Bohn Stafleu van Loghum, 1997.
3. Consensus Nederlandse Vereniging KNF. Oktober 1997.
4. Haut SR, Hall CB, LeValley AJ, Lipton RB. Can patients with epilepsy predict their seizures? Neurology. 2007;68:262-6.
5. Suurmeijer TPBM, Reuvekamp MF, Aldenkamp BP. Social functioning, psychological functioning, and quality of life in epilepsy. Epilepsia. 2001;9:1160-8.
6. Zwart BCH de, Weel ANH, Rayer CWG, et al. Leidraad aanstellingskeuringen. Den Haag: ministerie van SZW, Directie Arbeidsverhoudingen, 2005, www.szw.nl.
7. RIVM. Nationaal kompas volksgezondheid: Epilepsie. Bilthoven: RIVM, www.rivm.nl.
8. www.who.int.
9. www.ilae-epilepsy.org.

Adressenlijst Centra voor Epilepsie

Stichting Epilepsie Instellingen Nederland, locatie Heemstede

Achterweg 5, 2103 SW Heemstede

tel.: 023 5237 237

Stichting Epilepsie Instellingen Nederland, locatie Heemstaete

Dr. Denekampweg 20, 8025 BV Zwolle

tel.: 038 4557 171

Epilepsiecentrum Kempenhaeghe

Sterkselseweg 65, 5591 VE Heeze

tel.: 040 2279 022

Dr. Hans Berger Kliniek

Galderseweg 81, 4836 AE Breda

tel.: 076 5608 200

Bijlage 1. Eerste hulp bij aanvallen

Wat te doen bij tonisch-klonische aanvallen:

  • blijf bij de betrokkene zolang de aanval duurt en houd toeschouwers op een afstand;

  • voorkom dat de betrokkene zich tijdens de aanval (nog verder) verwondt;

  • zorg dat de betrokkene op een veilige plaats ligt, bijvoorbeeld uit de buurt van vuur en water;

  • leg iets zachts (plat kussentje, jas of iets dergelijks) onder het hoofd;

  • neem eventueel bril en horloge af om beschadigingen te voorkomen;

  • zorg dat de ademhaling zo min mogelijk gehinderd wordt:

    • maak kledingstukken rond de hals los,

    • controleer, zodra de spiertrekkingen ophouden en de persoon slap wordt, of er geen prothese in de mond zit, leg de persoon tijdens de spierverslapping op de zij; eerder is vrijwel niet mogelijk en ook niet zinvol, omdat de spieren toch verkrampt zijn en de tong dus niet achterwaarts kan zakken.

Wat niet te doen:

  • Probeer nooit iets tussen de tanden te stoppen. Als men ontdekt dat er een aanval is opgetreden, bestaat de kramptoestand reeds. Iets tussen de tanden steken kan dan slechts met geweld geschieden. Het gevaar bestaat dat men de tanden of de kaak breekt. De tongbeet is dan toch reeds een feit. Overigens geneest dit laatste meestal binnen enkele dagen.

  • Tracht nooit de bewegingen van betrokkene te stoppen. De bewegingen zijn zeer krachtig en men loopt het risico botbreuken of spierscheuren te veroorzaken

  • Bel niet direct een ambulance, dit is zelden nodig. Doe het alleen bij ernstige verwondingen of als de persoon er zelf om vraagt.

N.B. Een uitzondering op deze laatste regel is, als op de eerste grote aanval onmiddellijk een tweede volgt zonder dat betrokkene bij kennis is geweest, of als de aanval erg lang duurt.

Wat te doen bij andere aanvallen? Andere aanvallen, zoals de absence en de elementaire en partieel-complexe aanvallen behoeven in feite geen speciale zorg.

Absence:

  • De betrokkene is even afwezig, valt niet, stopt even de bezigheden en gaat vervolgens gewoon weer door of er niets gebeurd is. In de werksituatie worden deze aanvalletjes vaak zelfs niet eens opgemerkt.

Elementair partiële aanval:

  • De patiënt blijft bij kennis. Er kan dus worden overlegd hoe tijdens de aanval te handelen. Het nakomen van deze afspraken behoort tot de eigen verantwoordelijkheid van de betrokkene. Hij kan hierop worden aangesproken.

Partieel-complexe aanval:

  • Bij deze aanval daalt het bewustzijn, doch de betrokkene valt in het algemeen niet. Soms gaat hij onrustig en zoekend rondwandelen. Het is van belang dat men dan bij betrokkene blijft en hem wegleidt van eventueel gevaarlijke plaatsen, zoals de rijweg. Gebruik echter geen geweld. Dit zal slechts verweer uitlokken; gebruik daarom kalme, vasthoudende overredingskracht.

   

Terug    Tip-een-vriend!    Naar boven