Fibromyalgie

Samenvatting

Fibromyalgie is een chronische aandoening die gekenmerkt wordt door pijnklachten van spieren en gewrichten verspreid over het lichaam. Daarnaast komen vaak klachten voor van vermoeidheid, stijfheid, slaapstoornissen en psyche. De diagnose wordt gesteld op basis van lokalisatie en duur van de pijnklachten, samen met drukpijn op een aantal specifieke locaties. De aandoening komt veel frequenter voor bij vrouwen en een eenduidige oorzaak is niet bekend. Er is geen behandeling die de aandoening geneest, maar er zijn wel mogelijkheden de klachten te verminderen. Fibromyalgie veroorzaakt veelal beperkingen in het fysieke en/of cognitieve functioneren door pijn, moeheid, spierzwakte en cognitieve factoren. De ernst hiervan wisselt sterk van individu tot individu. De beperkingen kunnen ook gevolgen hebben voor het werk. Naar schatting 10-30% van de werkenden met fibromyalgie raakt door de aandoening blijvend ongeschikt voor de eigen functie (geheel of gedeeltelijk). Bij (dreigend) verzuim is het van belang maatregelen te nemen om de werkbelasting te verminderen.

Algemeen

  • CAS-code: L698 – fibromyalgie [‘reuma’]

  • ICD-10-code: M79.0 – reuma niet gespecificeerd, fibromyalgie

Synoniemen

  • Fybromyalgia.

  • FMS (fybromialgia syndrome).

  • Fibrositis.

  • Gegeneraliseerde tendomyopathie.

  • Wekedelenreuma.

1. Diagnose en behandeling

1.1. Definitie

Fibromyalgie is een syndroom dat wordt gekenmerkt door ten minste drie maanden bestaande chronische pijn in verschillende gebieden van het houdings- en bewegingsapparaat. De pijn komt wijdverspreid over het hele lichaam voor en een aantal specifieke drukpunten zijn pijnlijk. Geassocieerde klachten zijn: slaapstoornissen, moeheid, hoofdpijn, ochtendstijfheid, angst en paresthesieën. Er is geen karakteristiek aanvullend onderzoek (laboratorium, röntgen e.d.) dat de aandoening bewijst.

Er zijn diverse oorzakelijke mechanismen voor het ontstaan van fibromyalgie geopperd, zoals psychische problematiek, slaapstoornissen, afwijkingen van het vegetatieve zenuwstelsel en neuro-endocriene afwijkingen. Tot nu toe is voor geen enkele hypothese voldoende bewijs gevonden. 2Het meest waarschijnlijk is een interactie van bovenstaande factoren. 3

Enkele misverstanden over fibromyalgie 3

Door critici is het bestaan van fibromyalgie als ziektebeeld vaak in twijfel gesteld. Dit vanwege de meest subjectieve bevindingen. Fibromyalgie is echter vast te stellen op basis van een aantal gevalideerde criteria met een hoge sensitiviteit en specificiteit. Hoewel er bij standaardonderzoek geen afwijkingen worden gevonden die de diagnose bewijzen, kunnen bij specialistisch onderzoek (liquor, slaap-EEG) wel degelijk afwijkingen worden gevonden. Voor het stellen van de diagnose is dergelijk onderzoek echter niet nodig en te weinig eenduidig.

Er wordt ook wel eens gesteld dat de prevalentie van fibromyalgie samenhangt met de wijze waarop arbeidsongeschiktheid financieel wordt gecompenseerd. Hier lijkt geen verband te bestaan. De prevalentie verschilt weinig tussen landen waar wel of geen compensatie is geregeld.

Er zijn geen aanwijzingen voor een primair psychogene oorzaak van fibromyalgie, hoewel psychische problemen de klachten wel kunnen beïnvloeden. Anderzijds komt het wel veel voor dat de diagnose verkeerd wordt gesteld bij primaire psychische problematiek. Een zorgvuldige diagnostiek is dus van belang.

1.2. Diagnostiek

Fibromyalgie is in 1990 op basis van een aantal classificatiecriteria van het American College of Rheumatology (ACR) gedefinieerd. Fibromyalgie is vast te stellen op basis van deze gevalideerde criteria met een hoge sensitiviteit (88,4%) en specificiteit (80,1%).

Voor het stellen van de diagnose zijn anamnese en lichamelijk onderzoek van belang.

Anamnese

Fibromyalgie kan spontaan beginnen of volgen op een gebeurtenis als een fysiek of emotioneel trauma, een infectie of een operatie. 4 De uiteindelijke klachten verschillen niet.

  • De belangrijkste klacht is de pijn. Zonder pijn geen fibromyalgie. Het karakter van de pijn kan verschillen: een zeurende, vrijwel continu aanwezige pijn; een diepe stekende pijn of een hevige pijn bij of na bepaalde bewegingen. Voor het stellen van de diagnose moet de pijn minstens drie maanden aanwezig zijn en zijn gelokaliseerd in minstens drie van de vijf lichaamsregio’s (regio = linkerlichaamshelft, rechterlichaamshelft, boven en onder de taille, het gebied van de wervelkolom).

  • Naast de pijn komen in wisselende frequentie klachten voor die hiermee samenhangen. 1 De belangrijkste zijn:

    • slaapstoornissen;

    • moeheid (wordt mede gezien als een gevolg van de pijn en de slaapstoornissen);

    • stijfheid: vaak ochtendstijfheid en stijfheid bij langdurig in dezelfde houding staan of zitten;

    • hoofdpijn: chronische hoofdpijnklachten of aanvallen van hoofdpijn;

    • depressieve klachten en angststoornissen;

    • paresthesieën;

    • subjectieve zwellingen van gewrichten en/of weke delen;

    • darm- en blaasklachten (buikpijn en/of krampen);

    • concentratiestoornissen;

    • zwaar gevoel in armen en/of benen.

  • Kenmerkend voor de klachten is dat deze:

    • vaak verergeren na inspanning;

    • vaak negatief beïnvloed worden door stress en angst;

    • vaak beïnvloed worden door weerfactoren (koude, vocht);

    • ook sterk kunnen wisselen in de tijd. Dus ‘goede’ dagen die worden afgewisseld door ‘slechte’.

Lichamelijk onderzoek

Bij lichamelijk onderzoek wordt drukpijn gevonden op een aantal specifieke drukpunten (‘tenderpoints’). Er zijn door het American College of Rheumatology 18 tenderpoints gedefinieerd (zie figuur). Bij het onderzoek moet een druk uitgeoefend worden van ongeveer 4 kg op de pijnpunten (= drukken met de duim). Alleen gevoeligheid is niet voldoende voor een positief tenderpoint.

Figuur.

Lokalisatie van de tenderpoints
  • De occipitale aanhechtingen van de nekmusculatuur.

  • Laag cervicaal, bilateraal aan de voorzijde van de intertransversale ruimten C5-C7.

  • Het midden van de bovenrand van de m. trapezius.

  • De origo van de m. supraspinatus boven de spina scapulae naast de mediale scapularand.

  • Het punt net lateraal van de costochondrale aanhechting van de tweede rib.

  • Het punt 2 cm distaal van de laterale epicondylus.

  • De voorste rand van de m. gluteus in het bovenste buitenkwadrant bil.

  • Het punt net achter de trochanter major van de heup.

  • De mediale vetkwab van de knie proximaal van de gewrichtsspleet.

Aanvullend onderzoek

Fibromyalgie kan niet worden aangetoond met behulp van aanvullend onderzoek.

Beperkt routinelaboratoriumonderzoek is wel zinvol om andere relatief veel voorkomende oorzaken van gegeneraliseerde pijn en moeheid uit te sluiten. Dit laatste geldt vooral als de klachten nog maar enkele maanden bestaan.

Diagnostische criteria

De diagnose fibromyalgie wordt gesteld indien aan de volgende criteria (ACR) wordt voldaan: 1

  • De pijn is minimaal drie maanden aanwezig.

  • Lokalisatie van de pijn in minimaal drie regio’s.

  • Pijn (gevoeligheid is niet voldoende) bij palpatie van minimaal 11 van de 18 tenderpoints.

Daarbij wordt opgemerkt dat chronische verspreide pijnklachten en pijnlijke drukpunten (die niet voldoen aan bovenstaande criteria) niet specifiek zijn voor fibromyalgie en veel voorkomen. In Duitsland wordt bij 13,5% van de vrouwen tussen 35 en 74 jaar dergelijke pijnklachten gevonden. In vergelijkbare epidemiologische studies uit andere landen worden percentages van 10-17% gevonden. 5

Differentiaaldiagnose

Differentiaaldiagnostisch komen allerlei aandoeningen uit het reumatische spectrum in aanmerking. Aanwezigheid van een andere (reumatische) aandoening sluit de diagnose fibromyalgie echter niet uit. Gezien de veel voorkomende additionele klachten kan ook een groot aantal interne aandoeningen overwogen worden. Neem ook psychische oorzaken in overweging.

De differentiaaldiagnostisch belangrijkste aandoeningen zijn:

  • reumatoïde artritis;

  • arteriitis temporalis;

  • polymyalgia rheumatica;

  • hypothyreoïdie;

  • diffuse pijn in kader van somatisatie;

  • surmenage;

  • chronisch vermoeidheidssyndroom.

1.3. Behandelplan

Er is geen behandeling bekend waarmee fibromyalgie wordt genezen. Behandeling is erop gericht om klachten te verminderen, de kwaliteit van het leven te verbeteren en de patiënt meer controle te geven over zijn leven.

In de literatuur worden de volgende behandelmogelijkheden beschreven:

  • Alleen al het stellen van de diagnose heeft een therapeutisch effect bij veel patiënten. 5,6 Dit is in tegenspraak met het nog wel eens aangevoerde argument dat het stellen van de diagnose fibromyalgie ziektegedrag oproept met als gevolg het versterken van de klachten, het veroorzaken van claims, het in stand houden van arbeidsongeschiktheid en het verhogen van de medische consumptie.

  • Algemene maatregelen: een gestructureerde dagindeling met regelmatig rustmomenten, een goede slaaphygiëne en regelmatige beweging.

  • Bewegingstherapie. Door pijn en andere klachten dreigen patiënten steeds minder te gaan bewegen. Uit onderzoek 7 worden positieve effecten gerapporteerd van training (aeroob en geleidelijk opbouwend) op de pijn en het algemene welbevinden. De bewegingstherapie richt zich op het verbeteren van de conditie en het soepel en beweeglijk houden van pijnlijke spieren en gewrichten.

  • Het geven van voorlichting en informatie, bijvoorbeeld in de vorm van een zelfmanagementcursus (een aantal thuiszorgorganisaties biedt dit aan). 8 In meerdere studies is bewezen dat dit positieve effecten heeft op het merendeel van de klachten. 1,5 Deze effecten houden ook lang aan.

  • Psychotherapie. Het is niet overtuigend aangetoond dat psychische componenten een rol spelen bijhet ontstaan van fibromyalgie. Het hebben van psychische klachten is niet specifiek voor fibromyalgie. 9 Langdurige fysieke klachten kunnen wel leiden tot psychische problemen (vooral op het gebied van angst en depressie) en psychische problemen kunnen de klachten versterken. Van psychologische interventies lijkt vooral de cognitieve gedragstherapie effectief. Ook ontspanningstherapie en therapie gericht op pijn- en stressmanagement kunnen helpen.

  • Medicamenteuze behandeling. Het effect van pijnstillers is erg wisselend en vaak beperkt. Het antidepressivum amitriptyline heeft bij een lage dosering vooral een spierverslappend effect. Inname voor de nacht heeft vaak een positief effect op de pijn.

Overzicht behandelmogelijkheden en evidentie 5

  Medicamenteuze therapie
Sterke evidentie Amitriptyline
  Cyclobenzaprin
Gemiddelde evidentie Tramadol
  Fluoxetine
Zwakke evidentie Groeihormoon
  5-hydroxytryptamine
  Tropisetron
Geen evidentie Opiaten
  Corticosteroïden
  Antiflogistica
  Benzodiazepinen
  Melatonine
  e.a.
   
  Niet-medicamenteuze therapie
Sterke evidentie Aeroob trainingsprogramma
  Cognitieve gedragstherapie
  Cursus zelfmanagement
  Multidisciplinaire behandeling,
  bijv. twee of drie van bovenstaande
Gemiddelde evidentie Krachttraining
  Acupunctuur
  Hypnose
  Biofeedback
  Balneotherapie
Zwakke evidentie Manuele therapie
  Massage
  Elektrotherapie
  Chiropraxie
  Ultrageluid
Geen evidentie Injecties in de drukpunten

Sterke evidentie: positieve bevindingen bij een meta-analyse of bij meer dan één gerandomiseerde studie.

Gemiddelde evidentie: positieve bevindingen bij één gerandomiseerde studie of meerdere studies met overwegend positieve resultaten of positieve resultaten uit meerdere niet gerandomiseerde studies.

Zwakke evidentie: positieve resultaten in descriptieve onderzoeken of gevalsstudies, niet overeenstemmende resultaten in gerandomiseerde onderzoeken.

De diagnose fibromyalgie wordt gesteld door de reumatoloog. De verdere begeleiding kan door de huisarts geschieden. 8 Wanneer de begeleiding bij ernstig beperkte patiënten door meerdere disciplines geschiedt, wordt het aanwijzen van een ‘zorgcoördinator’ aanbevolen. In het algemeen kan dit ook de huisarts zijn.

1.4. Prognose medisch herstel

Fibromyalgie is een chronische aandoening waarvoor een succesvolle behandeling ontbreekt.

Over het verloop van de klachten en de beperkingen wordt wisselend gerapporteerd.

Marcus 1 geeft aan dat in een periode van drie jaar de pijn en andere klachten vaak verminderen. In de loop van de tijd zouden patiënten dus significante verbetering mogen verwachten.

Brückle et al. 5 rapporteren echter dat in een verloop van meer dan 14 jaar bij het merendeel van de patiënten de situatie niet wezenlijk verandert. Echter, patiënten met relatief geringe klachten kunnen in de eerste twee jaar wel sterk verbeteren.

In een ander onderzoek 10 waarbij een grote groep patiënten, onder behandeling van een reumatologisch centrum, zeven jaar is gevolgd, werd weinig verbetering gevonden in die periode.

1.5. Belemmeringen medisch herstel

De klachten van fibromyalgie kunnen negatief beïnvloed worden door comorbiditeit. 1 De belangrijkste zijn angststoornissen en depressie. Door klachten van angst of depressie verergeren de verschijnselen van fibromyalgie.

2. Re-integratie

2.1. Diagnostiek arbeidsmogelijkheden

Neem in de spreekkamer met een werknemer de specifieke taken door die hij/zij moet verrichten. Op basis daarvan is een oordeel te vormen over de belasting in de werksituatie die problematisch zou kunnen zijn bij terugkeer naar het eigen werk. Laat zo nodig een werkplekonderzoek uitvoeren ter objectivering van eventuele knelpunten en voor verder advies.

Blootstelling

Het is van belang om de werkbelasting goed in kaart te brengen. De klachten van de fibromyalgie kunnen sterk wisselen van persoon tot persoon. Het is daarom niet eenduidig aan te geven welke vormen van werkbelasting niet meer mogelijk zijn.

In de literatuur worden de volgende potentieel problematische activiteiten beschreven: 11

  • zware fysieke werkzaamheden;

  • werken boven schouderhoogte;

  • frequent dragen en tillen;

  • langdurige statische houdingen;

  • repeterende bewegingen;

  • excentrische spierbelasting.

Daarbij het advies om:

  • te zorgen voor de mogelijkheid om af te wisselen in houdingen en taken;

  • te zorgen voor de mogelijkheid de werkzaamheden frequent kort te kunnen onderbreken;

  • mogelijkheden te creëren om het aantal uren dat per dag wordt gewerkt flexibel in te vullen en evenals het tijdstip om te starten met werken. Dit omdat de klachten sterk wisselen van dag tot dag.

Werkplekonderzoek

Indien een adequate beoordeling van de werksituatie anamnestisch niet mogelijk (b)lijkt, is het uitvoeren van een werkplekonderzoek aangewezen. Zo’n onderzoek (door bijvoorbeeld arboverpleegkundige of arbeidshygiënist) vindt liefst samen met de werknemer plaats. Kijk tijdens het werkplekonderzoek naar belastende arbeidsfactoren en de handelingen die voor de werknemer niet uitvoerbaar zijn in verband met de klachten. Een werkplekonderzoek is zeker aan de orde in geval van advisering naar aanleiding van blijvende beperkingen. Betrek bij een werkplekonderzoek actief de leidinggevende; eventuele aanpassingen kunnen dan direct worden besproken.

Bekende causale relaties

Het is uit de literatuur niet duidelijk of er arbeidsgerelateerde factoren zijn die het risico op het ontstaan van fibromyalgie doen toenemen. Er is ook geen onderzoek bekend 3 naar ‘repeterende’ trauma’s (bijvoorbeeld repeterende bewegingen, trillingen) als oorzaak van het ontstaan van fibromyalgie. Het ontstaan van fibromyalgie kan wel samenhangen met een trauma.

2.2. Functionele mogelijkheden

Er is geen objectief en betrouwbaar meetsysteem beschikbaar om de beperkingen bij fibromyalgie vast te stellen. 3 Dat betekent dat moet worden afgegaan op de anamnese.

  • White et al. 12 beschrijven het gebruik van de FIQ (Fibromyalgia Impact Questionnaire) als instrument om de beperkingen en arbeidsongeschiktheid te voorspellen. Dit is een vragenlijst, gericht op klachten en beperkingen, die door de patiënt zelf wordt ingevuld. Hiervan is echter geen gevalideerde Nederlandse versie beschikbaar.

  • In de literatuur wordt gediscussieerd over het gebruik van de Functionele Capaciteit Evaluatie (FCE-)methode als onderzoeksinstrument om de beperkingen bij fibromyalgie te objectiveren. De klachten van fibromyalgie wisselen sterk en een grote inspanning op de ene dag kan een ernstige terugslag veroorzaken enkele dagen later. De meeste auteurs zien de FCE daarom niet als een bruikbaar instrument.

De beperkingen die samenhangen met fibromyalgie zijn moeilijk te generaliseren gezien het sterk wisselend karakter van de klachten in de loop van de tijd en het sterk wisselen van de klachten tussen patiënten.

Op het gebied van beperkingen wordt in de literatuur het volgende gevonden: 3,11

  • Pijn wordt als de belangrijkste reden gezien waarom veel patiënten met fibromyalgie niet kunnen werken. Daarnaast zijn er beperkingen door cognitieve factoren (concentreren, geheugen, enz.), de moeheid, spierzwakte, slecht om kunnen gaan met stress en werken in vochtige en koude omgeving.

  • De klachten van fibromyalgie verergeren bij computerwerkzaamheden (toetsenbord), langdurig zitten, stress en zwaar tillen en frequent buigen, maar niet door lopen en werkzaamheden zoals lichte, vooral zittende werkzaamheden, lesgeven, en andere lichte bureauwerkzaamheden.

Van de zes rubrieken waaruit de Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) is opgebouwd zijn de mogelijke beperkingen voor werknemers met fibromyalgie te vinden in de rubrieken I (persoonlijk functioneren), III (aanpassing aan fysieke omgevingseisen), IV (dynamische handelingen), V (statische houdingen) en VI (werktijden). Het gaat om de volgende items:

FML-itemRubriek
Concentreren van de aandacht I-1
Verdelen van de aandacht I-2
Specifieke voorwaarden voor het persoonlijk functioneren van de arbeid I-9
   
Koude III-2
Trillingsbelasting III-8
   
Toetsenbord bedienen en muis hanteren IV-6
Schroefbewegingen met hand en arm IV-7
Frequent buigen tijdens het werk IV-11
Duwen of trekken IV-13
Frequent lichte voorwerpen hanteren tijdens het werk IV-15
Frequent zware lasten hanteren tijdens het werk IV-16
Trappenlopen IV-20
Klimmen IV-21
   
Zitten tijdens het werk V-2
Staan tijdens het werk V-4
Boven schouderhoogte actief zijn V-7
   
Werktijden: perioden van het etmaal VI-1
Werktijden: uren per dag VI-2
Werktijden: uren per week VI-3

2.3. Re-integratieplan

Het formuleren van het re-integratieplan door de bedrijfsarts gebeurt op grond van de probleembeoordeling. In het re-integratieplan wordt aandacht besteed aan de volgende punten:

Algemene adviezen

Voorlichting aan leidinggevende (en zo nodig collega’s) over de aandoening en de consequenties voor het werk.

Het werkhervattingadvies wordt samen met de werknemer opgesteld. Zelf meedenken werkt motiverend.

Persoonsgerichte adviezen

Fibromyalgie is een chronische aandoening met wisselend voorkomende beperkingen die blijvend zijn. In zijn algemeenheid is de belastbaarheid verminderd. Dit kan blijvende gevolgen hebben voor de arbeidsmogelijkheden. Er moet gezocht worden naar een nieuw evenwicht dat leidt tot duurzame inzetbaarheid in werk en een voor cliënt acceptabele kwaliteit van leven. Het vermogen om te blijven werken hangt niet alleen af van de beperkingen maar ook van het vermogen om de werkomgeving en de taken aan te passen. 13

  • Kijk in alle gevallen eerst naar de mogelijkheid van permanente werkaanpassingen (werkplekergonomie en aanpassen van de functie) die de werkbelasting verminderen (zie ook par. 2.1 en 2.2).

  • Probeer de belastbaarheid te verhogen door het benutten van alle behandelmogelijkheden (zie par. 1.3).

  • Spreek in eerste instantie een tijdcontingente werkhervatting af indien de werkzaamheden fysiek niet of weinig belastend zijn. De snelheid van opbouw is ook afhankelijk van de resultaten van de behandeling (verhogen belastbaarheid). Bij voorbaat valt niet te voorspellen of volledig hervatten in arbeidsduur mogelijk wordt. Overbelasting leidt tot terugval en toename van arbeidsongeschiktheid.

  • Adviseer ander werk bij fysiek zwaar belastende functies en indien het werk door de klachten niet kan worden volgehouden.

Werkgerichte adviezen

  • Zo nodig wordt een werkplekonderzoek uitgevoerd. De werkplekdeskundige geeft adviezen, gebaseerd op voorafgaand onderzoek, over tijdens het werk toe te passen houding, bewegingen, werktechnieken en eventueel (in overleg met de leidinggevende) te realiseren ergonomische verbeteringen.

  • Er wordt aandacht geschonken aan de randvoorwaarden die het gedrag van de werknemer bepalen (zoals werkplekinrichting, opgelegde werksnelheid, regelmogelijkheden, gedrag van collega’s, werkorganisatie), zodat niet alleen gewenst, maar ook een uitvoerbaar advies wordt gegeven.

Specifieke interventies

De interventies bij fibromyalgie kunnen worden samengevat in:

  • leren omgaan met beperkingen, ontwikkelen goede copingstrategieën;

  • fysieke training;

  • aanpassen werkplekergonomie;

  • aanpassen functie (fysieke belasting, verdelen belasting over de tijd);

  • andere functie;

  • zie ook paragraaf 1.3, 2.1 en 2.3.

2.4. Prognose herstel belastbaarheid

Fibromyalgie leidt tot blijvende beperkingen die in de loop van de tijd stationair blijven.

In Amerikaanse literatuur 3 wordt aangegeven dat het merendeel van de patiënten met fibromyalgie fulltime werkt, dat 30% veranderd is van werk in verband met de klachten en dat 30% aanpassingen heeft moeten doorvoeren in het werk om dit te kunnen blijven doen. Van de patiënten met fibromyalgie die willen werken, werkt ook 90%. Van de patiënten met fibromyalgie heeft 15-25% op enig moment gebruikgemaakt van een arbeidsongeschiktheidsverzekering.

Henriksson et al. 11 beschrijven een groot aantal onderzoeken waarin ook gekeken is naar arbeidsongeschiktheid en de mate daarvan. Het percentage patiënten dat (geheel of gedeeltelijk) arbeidsongeschikt is, varieert van 19% tot 50%. Het blijkt erg moeilijk de resultaten daarvan te interpreteren, omdat de onderzoeken vanuit verschillende perspectieven zijn uitgevoerd (m.b.t. samenstelling onderzoeksgroep, definitie van werk, verschillende sociale verzekeringssystemen). In hetzelfde artikel wordt een onderzoek beschreven waarbij 94 jonge vrouwen (18-39 jaar) uit Zweden en de Verenigde Staten gedurende één jaar na het stellen van de diagnose zijn gevolgd. Op het moment van het stellen van de diagnose werkte 60%; bij de start van het onderzoek werkte 46% en 12 maanden later 41%. Zij zijn allemaal gestopt met werken door aan de fibromyalgie gerelateerde problemen. Dat betekent dus dat 30% van de werkenden één jaar na diagnosestelling arbeidsongeschikt was.

2.5. Belemmeringen herstel belastbaarheid/werkhervatting

Factoren die werkhervatting kunnen belemmeren zijn:

Werkgebonden belemmeringen

Zie paragraaf 2.1.

Belemmeringen in de thuissituatie

  • Belasting in de privésituatie, bijvoorbeeld zorg voor kinderen, hobby’s of belastende woon-werkverkeer (afstand, soort vervoer).

Medische belemmeringen

Zie paragraaf 1.5.

3. Epidemiologie

 ManVrouwTotaal
Incidentie (per 1000)      
Prevalentie     1-2% 8
WAO-instroom 2002 14      
aantal 100 935 1035
% totaal 0,24 1,86 1,12
Beroepsziekten 2005      
aantal     geen meldingen
% totaal     n.v.t.

Toelichting en opmerkingen

Wolfe et al. 15 beschrijven in de Verenigde Staten een prevalentie onder een doorsnede van de bevolking van 2%, waarvan 3,4% bij vrouwen en 0,5% bij mannen. De prevalentie neemt toe met de leeftijd tot >7% bij vrouwen boven de 60 jaar. Uit een andere bron 13 wordt een prevalentie van 1% onder vrouwen in Zweden gemeld, 0,75% bij vrouwen in Finland en 1,8% in Duitsland.

In 2002 kregen 4560 vrouwen in Nederland een WAO-uitkering in verband met fibromyalgie. 13 Van 188 vrouwen werd de uitkering beeindigd, en de instroom bedroeg 935 gevallen. Bij een beroepsbevolking in 2002 van 3724 miljoen vrouwen 16 en een prevalentie van 1% hebben theoretisch 37.000 vrouwen in deze groep de aandoening.

Op basis van de UWV-gegevens is 12% van de werkende vrouwen met fibromyalgie geheel of gedeeltelijk arbeidsongeschikt. Het werkelijke percentage ligt waarschijnlijk hoger. De instroom in 2002 (935) was veel groter dan de uitstroom (188). Dit kan duiden op onderrapportage in het verleden.

4. Verwijzen en samenwerken

Algemene indicaties voor verwijzing en overleg

  • Verwijzing van behandelaar naar bedrijfsarts bij aanwijzingen voor werkgerelateerde factoren (positief antwoord op twee vragen: Denkt u dat de klachten te maken hebben met het werk? en Verergeren de klachten op het werk?).

  • Overleg tussen behandelaar en bedrijfsarts is geïndiceerd bij tegenstrijdige adviezen van behandelaar en bedrijfsarts. In alle gevallen moet vermeden worden dat de patiënt tegenstrijdige adviezen krijgt en is afstemming tussen de specialisten gewenst.

Specifieke verwijsindicaties

  • Verwijzing naar reumatoloog voor diagnostiek en behandeladvies.

5. Verzuimreferentieduren

De referentiegegevens voor de verzuimduur per lemma zijn gebaseerd op verzuimgegevens van vier arbodiensten van verzuimgevallen die in 2004 of in 2005 zijn beëindigd. Omdat in veel gevallen er pas bij 6 weken verzuim een diagnose door een bedrijfsarts is genoteerd hebben we alleen verzuimgevallen die minimaal 43 dagen duren meegenomen. In totaal waren dit 244.995 gevallen. Waarvan 118090 mannen en 126905 vrouwen. Het aantal vrouwen in onze groep ligt dus iets hoger.

In de grafiek met uitstroomcurven is weergegeven welk deel van de verzuimgevallen het werk hervat binnen een bepaalde periode. Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen de eerste hervatting (groene lijn), 50% hervatting (blauwe lijn) en volledige werkhervatting (rode lijn). Rond iedere lijn zijn met stippellijntjes (in dezelfde kleur) de onzekerheidsmarges ( 95%-betrouwbaarheidsinterval)  weergegeven.

De tabel met kengetallen geeft het gemiddelde aantal weken tot de werkhervatting weer. Bovendien is het 25e percentiel, de mediaan en het 75e percentiel gegeven. Deze geven respectievelijk aan na hoeveel weken 25% van de werknemers met de betreffende aandoening het werk heeft hervat, 50% het werk heeft hervat en 75% het werk heeft hervat. Er kan een verschil zijn tussen de steekproefomvang (valid N) in de eerste, tweede en derde kolom omdat niet bij alle verzuimgevallen er eerst een gedeeltelijke hervatting heeft plaatsgevonden of de datum daarvan onbekend is.

Als laatste is aangegeven het % tot de totale gevallen

De laatste grafiek geeft de uitstroom per maand weer voor volledige werkhervatting.

Wia instroom

Voor deze tabel zijn data van het UWV gekregen. U ziet het totale aantal beslissingen dat in 2006 en 2007 is genomen in de betreffende categorie.

Algemene gegevens :

Alle diagnoses gezamenlijk

 Aantal weken tot eerste hervattingAantal weken tot 50% hervattingAantal weken verzuim
Gemiddeld 10,94 15,42 24,39
Percentiel 25 1 6 10
Mediaan 6 10 16
Percentiel 75 13 17 27
Valid N 185.778 195.689 244.995

N.B. De verzuimduren hebben betrekking op verzuimgevallen van 43 dagen en langer.

Figuur.

Ruim 50 % van het verzuim langer dan 6 weken herstelt de eerste 4 maanden, 40 % herstelt in de loop van het eerste ziektejaar en ongeveer 10 % herstelt na 1 jaar.

Figuur.

Figuur.

Fybromyalgie komt frequent voor in de bedrijfsartsen praktijk. Opvallend is het grote aantal verzuimen dat pas na 1 jaar of niet wordt beëindigd. Op zich is dit begrijpelijk. Fibromyalgie geeft blijvende beperkingen. Het feit dat veel WIA aanvragen worden afgewezen is ook begrijpelijk. Er zijn wel beperkingen, maar ook nog veel mogelijkheden.

17 Fibromyalgie

 Aantal weken tot eerste hervattingAantal weken tot 50% hervattingAantal weken verzuim
Gemiddeld 17,19 24,33 45,85
Percentiel 25 1 5 15
Mediaan 6 14 32
Percentiel 75 21 32 61
Valid N 514 522 625
% totaal 0.25    

N.B. De verzuimduren hebben betrekking op verzuimgevallen van 43 dagen en langer.

Mannen 83 Vrouwen 542

Diagnose L698 Fibromyalgie ['spierreuma']

omschrijvingaantal 2006Totaal 2006Perc 2006Aantal 2007Totaal 2007Perc 2007
toewijzing IVA 4 3795 0,1 17 4388 0,4
toewijzing WGA 51 5306 1 54 5768 0,9
toewijzing WGA volledig ao 69 8906 0,8 74 10464 0,7
afwijzing aanvraag WIA, < 35% ao of geschikt eigen werk 200 11516 1,7 190 11185 1,7
afwijzing aanvraag WIA, herstel 11 1266 0,9 8 1050 0,8
afwijzing aanvraag WIA, overleden of 65 jaar geworden   7     6  
afwijzing aanvraag WIA, overige redenen 21 1286 1,6 19 1980 1
afwijzing aanvraag WIA, reden (nog) onbekend 65 3240 2 31 2413 1,3
Overzicht voor 'Diagnodecode' = L698 (8 detailrecords)            
Totalen 421 35322 1,2 393 37254 1,1

6. Preventie

Er zijn geen preventieve maatregelen bekend.

Literatuur

1. Marcus DA. Current trends in fibromyalgia research. Expert Opin Pharmacother. 2003;4:1687-95.
2. Diagnostisch kompas. Fibromyalgie (verdenking op). Amstelveen: College voor zorgverzekeringen. Zoekterm: reuma.
3. Wallace DJ, Hallegua DS. Quality of life. Legal-financial, and disability issues in fibromyalgia. Current Pain and Headache Reports. 2001;5:313-9.
4. Staud R. Fibromyalgia pain: do we know the source. Curr Opin Rheumatol. 2004;16:157-63.
5. Brückle W, Zeidler H. Fibromyalgie – ein update. Internist. 2005; 46:1188-97.
6. White, KP, Nielson WR, Harth M, et al. Does the label ‘fibromyalgia’ alter health status, function and Health Service Utilization? A prospective, within group comparison in a community cohort of adults with chronic widespread pain. Artritis Rheum. 2002;47:260-5.
7. Busch AJ, Barber KAR, Overend TJ, et al. Exercise for treating fibromyalgia syndrome. The Cochrane Database of Systematic Reviews 2006(Issue 4).
8. Nederlandse Vereniging voor Reumatologie. Richtlijnen reumatische ziekten en syndromen: fibromyalgie. 2003.
9. Sayar K, Gulec H, Topbas M, et al. Affective distress and fibromyalgia. Swiss Med Wkly. 2004;134:248-53.
10. Wolfe F, Anderson J, Harkness D, et al. Health status and disease severity in fibromyalgia. Artritis Rheum. 1997;40:1571-9.
11. Henriksson CM, Liedberg GM, Gerdle B. Women with fibromyalgia: work and rehabilitation. Disabil Rehabil. 2005;27:685-94.
12. White K, Speechley M, Harth M, et al. Comparing self-reported function and work disability in 100 community cases of fibromyalgia syndrome versus controls in London, Ontario. Artritis Rheum. 1999;42:76-83.
13. Liedberg GM, Henriksson CM. Factors of importance for work disability in woman with fibromyalgia: an interview study. Artritis Rheum. 2002;47:266-74.
14. UWV. Ziektediagnosen voor uitkeringen bij arbeidsongeschiktheid, 2002. Statische informatie over medische classificaties in WAO, WAZ en Wajong.
15. Wolfe F, Ross K, Anderson J, et al. The prevalence and characteristics of fibromyalgia in the general population. Artritis Rheum. 1995;38:19-28.
16. CBS, arbeidsmarktgegevens.
   

Terug    Tip-een-vriend!    Naar boven